Dire (zeggen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van dire (zeggen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Dire (zeggen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 1: Se présenter (Jezelf voorstellen)

Les 6: Dire ton âge (Je leeftijd zeggen)

Infinitif Participe passé
Dire (zeggen) dit (gezegd)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') je dis / j'dis ik zeg / ik zeg
tu dis jij zegt
(il/elle/on) il dit / elle dit / on dit hij zegt / zij zegt / men zegt
nous disons wij zeggen
vous dites u zegt
(ils/elles) ils disent / elles disent zij zeggen

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') je disais ik zei
tu disais jij zei
il/elle/on disait hij/zij/men zei
nous disions wij zeiden
vous disiez jullie zeiden / u zei
ils/elles disaient zij zeiden

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai dit ik heb gezegd
tu as dit jij hebt gezegd
il/elle/on a dit hij/zij/men heeft gezegd
nous avons dit wij hebben gezegd
vous avez dit u heeft gezegd
ils/elles ont dit zij hebben gezegd

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') Plus-que-parfait de l'indicatif ik had gezegd
(tu) avais dit jij had gezegd
(il/elle/on) avais dit hij/zij/men had gezegd
(nous) avait dit wij hadden gezegd
(vous) avions dit jullie hadden gezegd
(ils/elles) aviez dit zij hadden gezegd

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') dirai ik zal zeggen
(tu) diras jij zult zeggen
(il/elle/on) dira hij/zij/men zal zeggen
(nous) dirons wij zullen zeggen
(vous) direz jullie zullen zeggen
(ils/elles) diront zij zullen zeggen

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai dit ik zal gezegd hebben
(tu) auras dit jij zult gezegd hebben
(il/elle/on) aura dit hij/zij/men zal gezegd hebben
(nous) aurons dit wij zullen gezegd hebben
(vous) aurez dit jullie zullen gezegd hebben
(ils/elles) auront dit zij zullen gezegd hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') je dirais ik zou zeggen
tu dirais jij zou zeggen
il/elle/on dirait hij/zij/men zou zeggen
nous dirions wij zouden zeggen
vous diriez u zou zeggen
ils/elles diraient zij zouden zeggen

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais dit ik zou gezegd hebben
(tu) aurais dit jij zou gezegd hebben
(il/elle/on) aurait dit hij/zij/men zou gezegd hebben
(nous) aurions dit wij zouden gezegd hebben
(vous) auriez dit u zou zeggen
(ils/elles) auraient dit zij zouden gezegd hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') que je dise ik zeg
(tu) que tu dises dat jij zegt
(il/elle/on) qu'il/elle/on dise hij/zij/het zegt
(nous) que nous disions wij zeggen
(vous) que vous disiez jullie zeggen
(ils/elles) qu'ils/elles disent zij zeggen

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que j’aie dit ik heb gezegd
(tu) que tu aies dit jij hebt gezegd
(il/elle/on) qu’il/elle/on ait dit hij/zij/men zou gezegd hebben
(nous) que nous ayons dit wij hebben gezegd
(vous) que vous ayez dit jullie gezegd hebben
(ils/elles) qu’ils/elles aient dit zij hebben gezegd

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
jij zou zeggen
Dis ! zeg