Kennismaken met (to get to know)

Conjugation of kennismaken met (to get to know) for all verb tenses with example phrases and exercises.

Kennismaken met (to get to know)

Learning materials that implement this verb:

Infinitief Voltooid deelwoord
Kennismaken met (to get to know) kennisgemaakt met (got to know)

Verb tenses

Aantonende wijs

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT) 

(ik) maak kennis met
(jij/je) maakt kennis met
(hij/zij/ze/het) maakt kennis met
(wij/we) maken kennis met
(jullie) maken kennis met
(zij/ze) maken kennis met

Onvoltooid verleden tijd (OVT) 

(ik) maakte kennis met
(jij/je) maakte kennis met
(hij/zij/ze/het) maakte kennis met
(wij/we) maakten kennis met
(jullie) maakten kennis met
(zij/ze) maakten kennis met

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT) 

(ik) heb kennisgemaakt met
(jij/je) hebt kennisgemaakt met
(hij/zij/ze/het) heeft kennisgemaakt met
(wij/we) hebben kennisgemaakt met
(jullie) hebben kennisgemaakt met
(zij/ze) hebben kennisgemaakt met

Voltooid verleden tijd (VVT) 

(ik) heb kennisgemaakt met
(jij/je) hebt kennisgemaakt met
(hij/zij/ze/het) heeft kennisgemaakt met
(wij/we) hebben kennisgemaakt met
(jullie) hebben kennisgemaakt met
(zij/ze) hebben kennisgemaakt met

Onvoltooid toekomende tijd (OTTk) 

(ik) zal kennismaken met
(jij/je) zult kennismaken met
(hij/zij/ze/het) zal kennismaken met
(wij/we) zullen kennismaken met
(jullie) zullen kennismaken met
(zij/ze) zullen kennismaken met

Voltooid toekomende tijd (VTTk) 

(ik) zal kennisgemaakt hebben met
(jij/je) zult kennisgemaakt hebben met
(hij/zij/ze/het) zal kennisgemaakt hebben met
(wij/we) zullen kennisgemaakt hebben met
(jullie) zullen kennisgemaakt hebben met
(zij/ze) zullen kennisgemaakt hebben met
Conditionele wijs

Conditionele Tegenwoordige Tijd (CTT) 

(ik) zou kennismaken met
(jij/je) zou kennismaken met
(hij/zij/ze/het) zou kennismaken met
(wij/we) zouden kennismaken met
(jullie) zouden kennismaken met
(zij/ze) zouden kennismaken met

Conditionele Verleden Tijd (CVT) 

(ik) zou kennisgemaakt hebben met
(jij/je) zou kennisgemaakt hebben met
(hij/zij/ze/het) zou kennisgemaakt hebben met
(wij/we) zouden kennisgemaakt hebben met
(jullie) zouden kennisgemaakt hebben met
(zij/ze) zouden kennisgemaakt hebben met
Imperatief (gebiedende wijs)

Gebiedende wijs 

Maak kennis met!