Venir (komen) - Present, indicatif (Présent, indicatief)

 Venir (komen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Venir - Vervoeging van Komen in het Spaans: Vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, indicatief (Present, indicatif).

Present, indicatif (Présent, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Venir (komen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Lesprogramma: Spaanse les - Transporte (sostenible) ((Duurzaam) vervoer)

Vervoeging van venir in de tegenwoordige tijd

Spaans Nederlands
(je/j') viens ik kom
(tu) viens jij komt
(il/elle/on) vient hij/zij/het komt
(nous) venons wij komen
(vous) venez u komt
(ils/elles) viennent zij komen

Voorbeeldzinnen

Spaans Nederlands
Je viens à la recette, tu demandes où ? Ik kom naar het recept, je vraagt waar?
Tu viens préparer la salade avec moi ? Kom je de salade met mij klaarmaken?
Il vient toujours manger des tapas ici. Hij komt hier altijd tapas eten.
Nous venons chaque jour à huit heures. We komen elke dag om acht uur.
Vous venez ce soir pour cuisiner ensemble ? Kom je vanavond samen koken?
Ils viennent souvent demander la recette du pulpo. Ze komen vaak het recept van de octopus vragen.