Helpen (to help)

Helpen (to help)

Learn to conjugate the verb "to help" in Dutch: past perfect, indicative mood tense

Onvoltooid verleden tijd (OVT), aantonende wijs (Past Perfect, indicative mood)

All conjugations and tenses: Helpen (to help)

Ziekte en pijn (Sickness and pain)

Dutch
(ik) hielp
(jij/je/u) hielp/hielpte
(hij/zij/ze/het) hielp
(wij/we) hielpen
(jullie) hielpen
(zij/ze) hielpen