Plannen (to plan)

Conjugation of plannen (to plan) for all verb tenses with example phrases and exercises.

Plannen (to plan)

Learning materials that implement this verb:

Category: a1

Module 2: Van uren tot seizoenen (From hours to seasons)

Lesson 14: Kalenderdata en feestdagen (Calendar dates and holidays)

Infinitief Voltooid deelwoord
Plannen (To plan) Gepland (Planned)

Verb tenses

Aantonende wijs

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT) 

(ik) plan
(jij/je) plant
(hij/zij/ze/het) plant
(wij/we) plannen
(jullie) plannen
(zij/ze) plannen

Onvoltooid verleden tijd (OVT) 

(ik) plande
(jij/je) plande
(hij/zij/ze/het) plande
(wij/we) planden
(jullie) planden
(zij/ze) planden

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT) 

(ik) heb gepland
(jij/je) hebt/gepland
(hij/zij/ze/het) heeft gepland
(wij/we) hebben gepland
(jullie) hebben gepland
(zij/ze) hebben gepland

Voltooid verleden tijd (VVT) 

(ik) heb gepland
(jij/je) hebt gepland
(hij/zij/ze/het) heeft gepland
(wij/we) hebben gepland
(jullie) hebben gepland
(zij/ze) hebben gepland

Onvoltooid toekomende tijd (OTTk) 

(ik) zal plannen
(jij/je) zult plannen
(hij/zij/ze/het) zal plannen
(wij/we) zullen plannen
(jullie) zullen plannen
(zij/ze) zullen plannen

Voltooid toekomende tijd (VTTk) 

(ik) zal gepland hebben
(jij/je) zult/zal gepland hebben
(hij/zij/ze/het) zal gepland hebben
(wij/we) zullen gepland hebben
(jullie) zullen gepland hebben
(zij/ze) zullen gepland hebben
Conditionele wijs

Conditionele Tegenwoordige Tijd (CTT) 

(ik) zou plannen
(jij/je) zou plannen
(hij/zij/ze/het) zou plannen
(wij/we) zouden plannen
(jullie) zouden plannen
(zij/ze) zouden plannen

Conditionele Verleden Tijd (CVT) 

(ik) zou gepland hebben
(jij/je) zou gepland hebben
(hij/zij/ze/het) zou gepland hebben
(wij/we) zouden gepland hebben
(jullie) zouden gepland hebben
(zij/ze) zouden gepland hebben
Imperatief (gebiedende wijs)

Gebiedende wijs 

Plan!