Beginnen (beginnen) - Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief) Delen Gekopieerd!

Beginnen - Verbuiging van beginnen in het Nederlands: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, aantonende wijs (Präsens, indikativ).
Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)
Alle vervoegingen en tijden: Beginnen (beginnen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Lesprogramma: Nederlandse les - Seizoenen, maanden en delen van het jaar (Seizoenen, maanden en delen van het jaar)
Vervoeging van beginnen in de tegenwoordige tijd
Nederlands | Nederlands |
---|---|
(ich) beginne | ik begin |
(du) beginnst | jij begint |
(er/sie/es) beginnt | hij/zij/het begint |
(wir) beginnen | wij beginnen |
(ihr) beginnt | jullie beginnen |
(sie) beginnen | zij beginnen |
Voorbeeldzinnen
Nederlands | Nederlands |
---|---|
Ich beginne im April mit dem Gärtnern. | Ik begin in april met tuinieren. |
Du beginnst den Winter mit warmen Kleidern. | Jij begint de winter met warme kleren. |
Er beginnt im Januar die neue Arbeit. | Hij begint in januari het nieuwe werk. |
Wir beginnen die Planung für den Sommer. | Wij beginnen de planning voor de zomer. |
Ihr beginnt die Schule im September. | Jullie beginnen de school in september. |
Sie beginnen das Projekt im Herbst. | ze beginnen het project in de herfst. |