1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (21)

De herfst

De herfst Show

De herfst Show

De lente

De lente Show

De lente Show

De winter

De winter Show

De winter Show

De zomer

De zomer Show

De zomer Show

Het seizoen

Het seizoen Show

Het seizoen Show

De maand

De maand Show

De maand Show

Januari

Januari Show

Januari Show

Februari

Februari Show

Februari Show

Maart

Maart Show

Maart Show

April

April Show

April Show

Juni

Juni Show

Juni Show

Juli

Juli Show

Juli Show

Augustus

Augustus Show

Augustus Show

September

September Show

September Show

Oktober

Oktober Show

Oktober Show

November

November Show

November Show

December

December Show

December Show

Veranderen

Veranderen Show

Veranderen Show

Verkiezen

Verkiezen Show

Verkiezen Show

Gaan

Gaan Show

Gaan Show

3. Grammatica

4. Oefeningen

Oefening 1: Writing correspondence

Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation

E-mail: Je krijgt een korte e-mail van een Nederlandse collega over vakantie: antwoord en vertel wanneer jij vrij bent en welk seizoen je leuk vindt.


Hoi,

Ik ga in de zomer op vakantie. In juli of augustus is het vaak warm. Ik ga dan met mijn kinderen naar het strand.

Wanneer ga jij op vakantie? En wat is jouw favoriete seizoen: de lente, de zomer, de herfst of de winter?

Groeten,
Marieke


Hoi,

Ik ga in de zomer op vakantie. In juli of augustus is het vaak warm. Ik ga dan met mijn kinderen naar het strand.

Wanneer ga jij op vakantie? En wat is jouw favoriete seizoen: de lente, de zomer, de herfst of de winter?

Groeten,
Marieke


Begrijp de tekst:

  1. In welke maanden wil Marieke op vakantie gaan?

  2. Welke twee dingen vraagt Marieke aan jou in de e-mail?

Nuttige zinnen:

  1. Mijn favoriete seizoen is ...

  2. Ik ga in ... op vakantie.

  3. In de zomer / winter is het ...

Hoi Marieke,

Ik ga in augustus op vakantie. In de zomer is het vaak warm en ik ga graag naar het strand. Mijn favoriete seizoen is de lente, omdat de bloemen bloeien en het frisser is. In de winter blijf ik meestal binnen en drink ik warme chocolademelk.

Groeten,
Ahmed

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

In de zomer ga ik met vakantie naar Spanje.
In november verander het weer en wordt het koud.
Wij gaan in maart een weekend naar de kust.
Ik verkies de lente omdat de dagen weer langer worden.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. In juli ___ ik op vakantie naar Spanje.


2. In de winter ___ hij elke dag met de trein naar zijn werk.


3. Wij ___ in maart een afspraak bij de gemeente maken.


4. ___ jullie in de herfst een weekend naar de zee plannen?


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je collega wil in de zomer vakantie plannen en vraagt: "Welke maand vind jij fijn voor vakantie?" Antwoord. (Gebruik: de zomer, de maand, ik verkies, op vakantie)

Voor mij is  

Voorbeeld:

Voor mij is de maand juli fijn om op vakantie te gaan.

2. Je plant een korte teamlunch buiten. Jij kijkt naar het weer en legt uit waarom je nu gaat en niet in de winter. (Gebruik: de herfst, de winter, koud, regen)

Ik ga nu  

Voorbeeld:

Ik ga nu met het team naar buiten, want in de winter is het vaak koud en nat.

3. Je belt met een sportschool. Je wilt in de lente beginnen met sporten en zegt in welke maand je wilt starten. (Gebruik: de lente, maart, april, beginnen)

Ik wil in  

Voorbeeld:

Ik wil in de lente beginnen, bijvoorbeeld in april.

4. Je praat met een buur over zijn verjaardag. Hij vraagt: "Wanneer is jouw verjaardag?" Vertel in welke maand jij jarig bent. (Gebruik: de maand, jarig zijn, bijvoorbeeld mei of november)

Ik ben jarig  

Voorbeeld:

Ik ben jarig in november.

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over wat je in jouw favoriete seizoen of in je favoriete maand van het jaar gaat doen.

Nuttige uitdrukkingen:

Mijn favoriete seizoen is ... / In ... (maand) ga ik ... / Dan is het weer ... / Ik vind dit leuk omdat ...

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Kun je de seizoenen en maanden noemen? (Kun je de seizoenen en maanden noemen?)
  2. Hoe is het weer in elk seizoen? (Hoe is het weer in elk seizoen?)
  3. Welke maanden vallen in welk seizoen? (Welke maanden horen bij elk seizoen?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Er zijn drie maanden in de zomer: juni, juli en augustus.

In de zomer is het heet.

September, oktober en november zijn in de herfst, en het regent vaak.

December, januari en februari zijn de wintermaanden.

In de wintermaanden sneeuwt het soms.

Maart, april en mei zijn de lentemaanden en het weer is fris.

...