A1.12 - Seizoenen, maanden en delen van het jaar
Seizoenen, maanden en delen van het jaar
1. Taalonderdompeling
A1.12.1 Activiteit
Mijn favoriete seizoen!
3. Grammatica
A1.12.2 Grammatica
Toekomende tijd met 'gaan'
Belangrijk werkwoord
Gaan (gaan)
4. Oefeningen
Oefening 1: Writing correspondence
Instructie: Write a reply to the following message appropriate to the situation
E-mail: Je krijgt een korte e-mail van een Nederlandse collega over vakantie: antwoord en vertel wanneer jij vrij bent en welk seizoen je leuk vindt.
Hoi,
Ik ga in de zomer op vakantie. In juli of augustus is het vaak warm. Ik ga dan met mijn kinderen naar het strand.
Wanneer ga jij op vakantie? En wat is jouw favoriete seizoen: de lente, de zomer, de herfst of de winter?
Groeten,
Marieke
Hoi,
Ik ga in de zomer op vakantie. In juli of augustus is het vaak warm. Ik ga dan met mijn kinderen naar het strand.
Wanneer ga jij op vakantie? En wat is jouw favoriete seizoen: de lente, de zomer, de herfst of de winter?
Groeten,
Marieke
Begrijp de tekst:
-
In welke maanden wil Marieke op vakantie gaan?
-
Welke twee dingen vraagt Marieke aan jou in de e-mail?
Nuttige zinnen:
-
Mijn favoriete seizoen is ...
-
Ik ga in ... op vakantie.
-
In de zomer / winter is het ...
Ik ga in augustus op vakantie. In de zomer is het vaak warm en ik ga graag naar het strand. Mijn favoriete seizoen is de lente, omdat de bloemen bloeien en het frisser is. In de winter blijf ik meestal binnen en drink ik warme chocolademelk.
Groeten,
Ahmed
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. In juli ___ ik op vakantie naar Spanje.
2. In de winter ___ hij elke dag met de trein naar zijn werk.
3. Wij ___ in maart een afspraak bij de gemeente maken.
4. ___ jullie in de herfst een weekend naar de zee plannen?
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Vakantie plannen in de zomer
Collega Mark: Show Ik neem vakantie in juli, want ik vind de zomer in Nederland fijn.
Collega Sara: Show Oh leuk, ik ga liever in augustus, dan is het vaak nog warm.
Collega Mark: Show Ja, in de zomer is het licht en we gaan vaak naar het strand.
Collega Sara: Show Klopt, in de winter blijf ik liever thuis, maar in juli en augustus ga ik veel buiten.
Open vragen:
1. In welke maand ga jij graag op vakantie? Waarom?
2. Wat doe jij in de zomer in Nederland?
Weekend plannen in de herfst
Buurman David: Show In de herfst, in oktober, is het weer vaak grijs en nat.
Buurvrouw Anneke: Show Ja, maar ik vind oktober ook mooi, de bomen veranderen van kleur.
Buurman David: Show Klopt, in september gaan wij nog vaak fietsen, maar in november zitten we meer binnen.
Buurvrouw Anneke: Show Ik verkies september, dan is het nog een beetje zomer.
Open vragen:
1. Wat doe jij graag in de herfst als het regent?
2. Welke maand vind jij het mooist: september, oktober of november?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je collega wil in de zomer vakantie plannen en vraagt: "Welke maand vind jij fijn voor vakantie?" Antwoord. (Gebruik: de zomer, de maand, ik verkies, op vakantie)
Voor mij is
Voorbeeld:
Voor mij is de maand juli fijn om op vakantie te gaan.
2. Je plant een korte teamlunch buiten. Jij kijkt naar het weer en legt uit waarom je nu gaat en niet in de winter. (Gebruik: de herfst, de winter, koud, regen)
Ik ga nu
Voorbeeld:
Ik ga nu met het team naar buiten, want in de winter is het vaak koud en nat.
3. Je belt met een sportschool. Je wilt in de lente beginnen met sporten en zegt in welke maand je wilt starten. (Gebruik: de lente, maart, april, beginnen)
Ik wil in
Voorbeeld:
Ik wil in de lente beginnen, bijvoorbeeld in april.
4. Je praat met een buur over zijn verjaardag. Hij vraagt: "Wanneer is jouw verjaardag?" Vertel in welke maand jij jarig bent. (Gebruik: de maand, jarig zijn, bijvoorbeeld mei of november)
Ik ben jarig
Voorbeeld:
Ik ben jarig in november.
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over wat je in jouw favoriete seizoen of in je favoriete maand van het jaar gaat doen.
Nuttige uitdrukkingen:
Mijn favoriete seizoen is ... / In ... (maand) ga ik ... / Dan is het weer ... / Ik vind dit leuk omdat ...
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Kun je de seizoenen en maanden noemen? (Kun je de seizoenen en maanden noemen?)
- Hoe is het weer in elk seizoen? (Hoe is het weer in elk seizoen?)
- Welke maanden vallen in welk seizoen? (Welke maanden horen bij elk seizoen?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Er zijn drie maanden in de zomer: juni, juli en augustus. |
|
In de zomer is het heet. |
|
September, oktober en november zijn in de herfst, en het regent vaak. |
|
December, januari en februari zijn de wintermaanden. |
|
In de wintermaanden sneeuwt het soms. |
|
Maart, april en mei zijn de lentemaanden en het weer is fris. |
| ... |