Passen (passen)

Passen (passen)

Leer het werkwoord "passen" te vervoegen in het Nederlands: tegenwoordige tijd, onvoltooid tegenwoordige tijd

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Passen (passen)

Vormen en figuren (Vormen en figuren)

Nederlands
(ich) passe
(du) passt
(er/sie/es) passt
(wir) passen
(ihr) passt
(sie) passen