Passen (passen) - Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief) Delen Gekopieerd!

Passen - Verbuiging van passen in het Nederlands: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, de onvoltooid tegenwoordige tijd (Präsens, indikativ).
Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)
Alle vervoegingen en tijden: Passen (passen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Lesprogramma: Nederlandse les - Vormen en figuren (Vormen en figuren)
Vervoeging van passen in de tegenwoordige tijd
Nederlands | Nederlands |
---|---|
(ich) passe | ik pas |
(du) passt | jij past |
(er/sie/es) passt | hij/zij/het past |
(wir) passen | wij passen |
(ihr) passt | jullie passen |
(sie) passen | zij passen |
Voorbeeldzinnen
Nederlands | Nederlands |
---|---|
Ich passe gut in die Hose. | Ik pas goed in de broek. |
Du passt da gut rein. | Je past er goed in. |
Der Stuhl passt nicht in das Quadrat. | De stoel past niet in het vierkant. |
Wir passen die Formen dem Kreis an. | Wij passen de vormen aan de cirkel aan. |
Ihr passt das Kleid den Maßen an. | Jullie passen de jurk aan de maten aan. |
Die Socken passen zusammen. | Ze passen bij elkaar. |