Passen (passen) - Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

 Passen (passen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Passen - Verbuiging van passen in het Nederlands: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, de onvoltooid tegenwoordige tijd (Präsens, indikativ).

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Passen (passen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Lesprogramma: Nederlandse les - Vormen en figuren (Vormen en figuren)

Vervoeging van passen in de tegenwoordige tijd

Nederlands Nederlands
(ich) passe ik pas
(du) passt jij past
(er/sie/es) passt hij/zij/het past
(wir) passen wij passen
(ihr) passt jullie passen
(sie) passen zij passen

Voorbeeldzinnen

Nederlands Nederlands
Ich passe gut in die Hose. Ik pas goed in de broek.
Du passt da gut rein. Je past er goed in.
Der Stuhl passt nicht in das Quadrat. De stoel past niet in het vierkant.
Wir passen die Formen dem Kreis an. Wij passen de vormen aan de cirkel aan.
Ihr passt das Kleid den Maßen an. Jullie passen de jurk aan de maten aan.
Die Socken passen zusammen. Ze passen bij elkaar.