1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (14)

De cirkel

De cirkel Show

De cirkel Show

De driehoek

De driehoek Show

De driehoek Show

Het vierkant

Het vierkant Show

Het vierkant Show

De rechthoek

De rechthoek Show

De rechthoek Show

De lijn

De lijn Show

De lijn Show

Breed

Breed Show

Breed Show

Smal

Smal Show

Smal Show

Laag

Laag Show

Laag Show

Hoog

Hoog Show

Hoog Show

Krom

Krom Show

Krom Show

Recht

Recht Show

Recht Show

Licht

Licht Show

Licht Show

Zwaar

Zwaar Show

Zwaar Show

Zetten

Zetten Show

Zetten Show

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Nieuwe posters voor het kantoor

Woorden om te gebruiken: breed, cirkel, rechthoek, Deze, vierkant, driehoek, lijnen, zet, recht, lichte

(Nieuwe posters voor op kantoor)

Ons bedrijf krijgt nieuwe posters voor het kantoor. Op de posters staan eenvoudige vormen. Op één poster staat een grote . Op een andere poster staat een met een erboven. De op de posters zijn en zwart. De posters zijn niet hoog, maar .

De manager de posters in de vergaderruimte. Hij zegt: “ poster met de cirkel komt links. Die poster met het vierkant komt rechts.” Veel collega’s vinden de poster met de driehoek mooi. Eén collega zegt: “Ik vind die lange, smalle leuker. Ik zet dat bord met de rechthoek naast het raam.”

  1. Welke poster vind jij het mooist en waarom?

  2. Waar zou jij een poster of schilderij in jouw huis of kantoor ophangen? Beschrijf de plek.

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Ik zet deze zware doos op de lage tafel.
Dat hoge gebouw heeft een brede rechthoekige vorm.
Deze tafel heeft een mooi rond patroon.
Ik vind dit vierkant mooier dan die driehoek daar.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ik ___ deze zware doos naast de hoge kast.


2. ___ je dat lichte vierkant op de brede tafel, alstublieft?


3. We ___ die lage lamp naast dat smalle raam.


4. De architect ___ dit kleine vierkant in de hoek van de plattegrond.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je bent op kantoor. Jij en een collega kiezen een nieuw logo voor het bedrijf. Leg kort uit dat jij een simpel rond logo mooi vindt. (Gebruik: de cirkel, simpel, mooi)

Ik vind    

Voorbeeld:

Ik vind de cirkel mooi; het logo is simpel.

2. Je bent in een meubelwinkel. Je zoekt een salontafel voor de woonkamer. Zeg dat je graag een vierkante tafel wilt en waarom. (Gebruik: het vierkant, passen, de woonkamer)

Ik wil graag    

Voorbeeld:

Ik wil graag een vierkant tafeltje, dat past goed in de woonkamer.

3. Je werkt thuis aan een presentatie. Een collega vraagt via Teams welke vorm het nieuwe bord in de vergaderruimte heeft. Antwoord kort en duidelijk. (Gebruik: de rechthoek, lang, breed)

Het bord is    

Voorbeeld:

Het bord is een rechthoek; het is lang en niet zo breed.

4. Je bent in een lampenwinkel. Je zoekt een staande lamp voor naast de bank. Leg uit dat je een hoge lamp wilt en waar die moet staan. (Gebruik: hoog, de lamp, de bank)

Ik zoek een    

Voorbeeld:

Ik zoek een hoge lamp voor naast de bank.

Oefening 6: Luister en beantwoord de vragen

Instructie: Luister naar de audiofragmenten en kies het juiste antwoord op de vragen.

1. Hallo, ik zoek een tafel voor mijn kantoor. Deze tafel is laag en breed en dat vind ik niet fijn. Die tafel daar is hoog en smal; dat past beter. Ik wil ook dit lichte vierkante kleed onder de tafel leggen.

Welke tafel kiest de spreker voor het kantoor?

2. In deze kamer ziet u drie vormen. Deze cirkel hier is voor de mensen van verkoop. Dat grote vierkant daar is voor de directie. En die lange rechte lijn op de muur is de planning voor dit jaar.

Wat betekent de cirkel in de kamer?

Oefening 7: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over vormen en posters of schilderijen op jouw werkplek of in jouw huis (bijvoorbeeld waar ze hangen en welke jij mooi vindt).

Nuttige uitdrukkingen:

Aan de muur hangt... / Ik vind deze poster mooi, omdat... / Links van het raam staat... / Ik zet het schilderij naast...

Oefening 8: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Beschrijf de afbeeldingen en vergelijk ze. (Beschrijf de afbeeldingen en vergelijk ze.)
  2. Maak een dialoog waarin je naar voorkeuren vraagt. Kleinere of grotere auto's, .... ? (Maak een dialoog waarin je naar voorkeuren vraagt. Kleinere of grotere auto's, ...?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Deze auto is klein en oud.

Die auto is groter en nieuwer.

De jongens dragen bredere broeken.

Welke auto heb je liever?

Ik geef de voorkeur aan een kleinere maar modernere auto.

Ik geef de voorkeur aan oude auto's.

Ik geef de voorkeur aan gebakken voedsel boven gefrituurd voedsel.

...