Allenarsi (trainen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van allenarsi (trainen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Allenarsi (trainen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 6: La città e il villaggio (De stad en het dorp)

Les 40: Sport ed esercizio fisico (Sport en beweging)

Infinito Participio passato
Allenarsi (trainen) Allenatosi (geoefend)

Werkwoordstijden

Indicativo

Presente 

Italiaans Nederlands
(io) mi alleno ik train
(tu) ti alleni jij traint
(lui/lei) si allena hij/zij traint
(noi) ci alleniamo wij trainen
(voi) vi allenate jullie trainen
(loro) si allenano zij trainen

Imperfetto 

Italiaans Nederlands
(io) mi allenavo ik trainde
(tu) ti allenavi jij trainde
(lui/lei) si allenava hij/zij trainde
(noi) ci allenavamo wij trainden
(voi) vi allenavate jullie trainden
(loro) si allenavano zij trainden

Passato prossimo 

Italiaans Nederlands
(io) mi sono allenato / mi sono allenata ik heb getraind
(tu) ti sei allenato / ti sei allenata jij hebt getraind
(lui/lei) si è allenato / si è allenata hij/zij heeft getraind
(noi) ci siamo allenati / ci siamo allenate wij hebben getraind
(voi) vi siete allenati / vi siete allenate jullie hebben getraind
(loro) si sono allenati / si sono allenate zij hebben getraind

Trapassato prossimo 

Italiaans Nederlands
(io) mi ero allenato/allenata ik had getraind
(tu) ti eri allenato/allenata jij had getraind
(lui/lei) si era allenato/allenata hij/zij had getraind
(noi) ci eravamo allenati/allenate wij hadden getraind
(voi) vi eravate allenati/allenate jullie hadden getraind
(loro) si erano allenati/allenate zij hadden getraind

Futuro semplice 

Italiaans Nederlands
(io) mi allenerò ik zal trainen
(tu) ti allenerai jij zult trainen
(lui/lei) si allenerà hij/zij zal trainen
(noi) ci alleneremo wij zullen trainen
(voi) vi allenerete jullie zullen trainen
(loro) si alleneranno zij zullen trainen

Futuro anteriore 

Italiaans Nederlands
(io) mi sarò allenato/mi sarò allenata ik zal getraind hebben
(tu) ti sarai allenato/ti sarai allenata jij zult getraind hebben
(lui/lei) si sarà allenato/si sarà allenata hij/zij zal getraind hebben
(noi) ci saremo allenati/ci saremo allenate wij zullen getraind hebben
(voi) vi sarete allenati/vi sarete allenate jullie zullen getraind hebben
(loro) si saranno allenati/si saranno allenate zij zullen getraind hebben

Condizionale

Condizionale presente 

Italiaans Nederlands
(io) mi allenerei ik zou trainen
(tu) ti alleneresti jij zou trainen
(lui/lei) si allenerebbe hij/zij zou trainen
(noi) ci alleneremmo wij zouden trainen
(voi) vi allenereste jullie zouden trainen
(loro) si allenerebbero zij zouden trainen

Condizionale passato 

Italiaans Nederlands
(io) mi sarei allenato/allenata ik zou getraind hebben
(tu) ti saresti allenato/allenata jij zou getraind hebben
(lui/lei) si sarebbe allenato/allenata hij/zij zou getraind hebben
(noi) ci saremmo allenati/allenate wij zouden getraind hebben
(voi) vi sareste allenati/allenate jullie zouden getraind hebben
(loro) si sarebbero allenati/allenate zij zouden hebben getraind

Congiuntivo

Congiuntivo presente 

Italiaans Nederlands
(io) mi alleni ik train
(tu) ti alleni jij traint
(lui/lei) si alleni hij/zij traint
(noi) ci alleniamo wij trainen
(voi) vi alleniate jullie trainen
(loro) si allenino zij trainen

Congiuntivo passato 

Italiaans Nederlands
(io) mi sia allenato/allenata ik heb getraind
(tu) ti sia allenato/allenata jij hebt getraind
(lui/lei) si sia allenato/allenata hij/zij heeft getraind
(noi) ci siamo allenati/allenate wij hebben getraind
(voi) vi siate allenati/allenate jullie zijn getraind
(loro) si siano allenati/allenate zij hebben getraind

Congiuntivo imperfetto 

Italiaans Nederlands
(io) mi allenassi als ik zou trainen
(tu) ti allenassi jij zou trainen
(lui/lei) si allenasse hij trainde
(noi) ci allenassimo wij trainden
(voi) vi allenaste jullie trainden
(loro) si allenassero zij zouden trainen

Congiuntivo trapassato 

Italiaans Nederlands
(io) mi fossi allenato/allenata ik zou getraind hebben
(tu) ti fossi allenato/allenata jij zou getraind hebben
(lui/lei) si fosse allenato/allenata hij/zij zou getraind hebben
(noi) ci fossimo allenati/allenate wij hadden getraind
(voi) vi foste allenati/allenate jullie waren getraind
(loro) si fossero allenati/allenate zij zouden hebben getraind

Imperativo

Imperativo 

Italiaans Nederlands
Allenati! Jij moet trainen
Allenati! Jij moet trainen
Allenati! Jij moet trainen
Allenamoci! Jullie trainen
Allenatevi! Allenate jullie