Dare (geven) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van dare (geven) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Dare (geven) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 1: Presentarsi (Jezelf voorstellen)

Les 8: Indirizzo e recapiti (Adres en contactgegevens)

Infinito Participio passato
Dare (geven) Dato (gegeven)

Werkwoordstijden

Indicativo

Presente 

Italiaans Nederlands
(io) do ik geef
(tu) dai jij geeft
(lui/lei) dà hij/zij geeft
(noi) diamo wij geven
(voi) date jullie geven
(loro) danno zij geven

Imperfetto 

Italiaans Nederlands
(io) davo ik gaf
(tu) davi jij gaf
(lui/lei) dava hij/zij gaf
(noi) davamo wij gaven
(voi) davate jullie gaven
(loro) davano zij gaven

Passato prossimo 

Italiaans Nederlands
(io) ho dato ik heb gegeven
(tu) hai dato jij hebt gegeven
(lui/lei) ha dato hij/zij heeft gegeven
(noi) abbiamo dato wij hebben gegeven
(voi) avete dato jullie hebben gegeven
(loro) hanno dato zij hebben gegeven

Trapassato prossimo 

Italiaans Nederlands
(io) avevo dato ik had gegeven
(tu) avevi dato jij had gegeven
(lui/lei) aveva dato hij/zij had gegeven
(noi) avevamo dato wij hadden gegeven
(voi) avevate dato jullie hadden gegeven
(loro) avevano dato zij hadden gegeven

Futuro semplice 

Italiaans Nederlands
(io) darò ik zal geven
(tu) darai jij zal geven
(lui/lei) darà hij/zij zal geven
(noi) daremo wij zullen geven
(voi) darete jullie zullen geven
(loro) daranno zij zullen geven

Futuro anteriore 

Italiaans Nederlands
(io) avrò dato ik zal gegeven hebben
(tu) avrai dato jij zult gegeven hebben
(lui/lei) avrà dato hij/zij zal gegeven hebben
(noi) avremo dato wij zullen gegeven hebben
(voi) avrete dato jullie zullen gegeven hebben
(loro) avranno dato zij zullen gegeven hebben

Condizionale

Condizionale presente 

Italiaans Nederlands
(io) darei ik zou geven
(tu) daresti jij zou geven
(lui/lei) darebbe hij/zij zou geven
(noi) daremmo wij zouden geven
(voi) dareste jullie zouden geven
(loro) darebbero zij zouden geven

Condizionale passato 

Italiaans Nederlands
(io) avrei dato ik zou gegeven hebben
(tu) avresti dato jij zou gegeven hebben
(lui/lei) avrebbe dato hij/zij zou gegeven hebben
(noi) avremmo dato wij zouden gegeven hebben
(voi) avreste dato jullie zouden gegeven hebben
(loro) avrebbero dato zij zouden gegeven hebben

Congiuntivo

Congiuntivo presente 

Italiaans Nederlands
(io) dia ik geef
(tu) dia jij geeft
(lui/lei) dia hij/zij geef
(noi) diamo wij geven
(voi) diate jullie geven
(loro) diano zij geven

Congiuntivo passato 

Italiaans Nederlands
(io) abbia dato ik heb gegeven
(tu) abbia dato jij hebt gegeven
(lui/lei) abbia dato hij/zij heeft gegeven
(noi) abbiamo dato wij hebben gegeven
(voi) abbiate dato jullie hebben gegeven
(loro) abbiano dato zij hebben gegeven

Congiuntivo imperfetto 

Italiaans Nederlands
(io) dassi ik gaf
(tu) dassi jij zou geven
(lui/lei) dasse hij zou geven/zij zou geven
(noi) dassimo wij gaven
(voi) daste jullie gaven
(loro) dessero/dassero zij gaven

Congiuntivo trapassato 

Italiaans Nederlands
(io) avessi dato ik had gegeven
(tu) avessi dato jij zou gegeven hebben
(lui/lei) avesse dato hij/zij had gegeven
(noi) avessimo dato wij hadden gegeven
(voi) aveste dato jullie hadden gegeven
(loro) avessero dato zij hadden gegeven

Imperativo

Imperativo 

Italiaans Nederlands
Dai! jij geeft
Dai! jij geeft
Dia! laten wij geven
Diamo! Jullie geven
Date! Geef! (zij)