Ritardare (vertragen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van ritardare (vertragen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Ritardare (vertragen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 2: Dalle ore alle stagioni (Van uren tot seizoenen)

Les 13: Dire l'ora e leggere l'orologio (Hoe laat is het? De klok lezen.)

Infinito Participio passato
Ritardare (vertragen) Ritardato (vertraagd)

Werkwoordstijden

Indicativo

Presente 

Italiaans Nederlands
(io) ritardo ik vertraag
(tu) ritardi jij vertraagt
(lui/lei) ritarda hij/zij vertraagt
(noi) ritardiamo wij vertragen
(voi) ritardate jullie vertragen
(loro) ritardano zij vertragen

Imperfetto 

Italiaans Nederlands
(io) ritardavo ik vertraagde
(tu) ritardavi jij vertraagde
(lui/lei) ritardava hij/zij vertraging opliep
(noi) ritardavamo wij vertraagden
(voi) ritardavate jullie vertraagden
(loro) ritardavano zij vertraagden

Passato prossimo 

Italiaans Nederlands
(io) ho ritardato ik heb vertraagd
(tu) hai ritardato jij hebt vertraagd
(lui/lei) ha ritardato hij/zij heeft vertraagd
(noi) abbiamo ritardato wij hebben vertraagd
(voi) avete ritardato jullie hebben vertraagd
(loro) hanno ritardato zij hebben vertraagd

Trapassato prossimo 

Italiaans Nederlands
(io) ero ritardato/ero ritardata ik had vertraging
(tu) eri ritardato/eri ritardata jij was vertraagd/jij was vertraagd
(lui/lei) era ritardato/era ritardata hij/zij was vertraagd
(noi) eravamo ritardati/eravamo ritardate wij waren vertraagd
(voi) eravate ritardati/eravate ritardate jullie waren vertraagd
(loro) erano ritardati/erano ritardate zij waren vertraagd

Futuro semplice 

Italiaans Nederlands
(io) ritarderò ik zal vertragen
(tu) ritarderai jij zult vertragen
(lui/lei) ritarderà hij/zij zal vertragen
(noi) ritarderemo wij zullen vertragen
(voi) ritarderete jullie zullen vertragen
(loro) ritarderanno zij zullen vertragen

Futuro anteriore 

Italiaans Nederlands
(io) avrò ritardato ik zal vertraagd zijn
(tu) avrai ritardato jij zult hebben vertraagd
(lui/lei) avrà ritardato hij/zij zal vertraging hebben opgelopen
(noi) avremo ritardato wij zullen hebben vertraagd
(voi) avrete ritardato jullie zullen hebben vertraagd
(loro) avranno ritardato zij zullen hebben vertraagd

Condizionale

Condizionale presente 

Italiaans Nederlands
(io) ritarderei ik zou vertragen
(tu) ritarderesti jij zou vertragen
(lui/lei) ritarderebbe hij/zij zou vertragen
(noi) ritarderemmo wij zouden vertragen
(voi) ritardereste jullie zouden vertragen
(loro) ritarderebbero zij zouden vertragen

Condizionale passato 

Italiaans Nederlands
(io) avrei ritardato ik zou vertraagd hebben
(tu) avresti ritardato jij zou hebben vertraagd
(lui/lei) avrebbe ritardato hij/zij zou vertraagd hebben
(noi) avremmo ritardato wij zouden hebben vertraagd
(voi) avreste ritardato jullie zouden hebben vertraagd
(loro) avrebbero ritardato zij zouden hebben vertraagd

Congiuntivo

Congiuntivo presente 

Italiaans Nederlands
(io) ritardi ik vertraag
(tu) ritardi jij vertraag
(lui/lei) ritardi hij/zij vertraagt
(noi) ritardiamo wij vertragen
(voi) ritardiate jullie vertragen
(loro) ritardino zij vertragen

Congiuntivo passato 

Italiaans Nederlands
(io) che io abbia ritardato ik heb vertraagd
(tu) che tu abbia ritardato jij hebt vertraagd
(lui/lei) che lui/lei abbia ritardato hij/zij dat hij/zij vertraagd heeft
(noi) che noi abbiamo ritardato wij hebben vertraagd
(voi) che voi abbiate ritardato jullie hebben vertraagd
(loro) che loro abbiano ritardato zij dat zij vertraagd hebben

Congiuntivo imperfetto 

Italiaans Nederlands
(io) ritardassi ik vertraagde
(tu) ritardassi jij zou vertragen
(lui/lei) ritardasse hij/zij vertraagde
(noi) ritardassimo wij vertraagden
(voi) ritardaste jullie vertraagden
(loro) ritardassero zij zouden vertragen

Congiuntivo trapassato 

Italiaans Nederlands
(io) avessi ritardato ik had vertraagd
(tu) avessi ritardato jij zou hebben vertraagd
(lui/lei) avesse ritardato hij/zij had vertraagd
(noi) avessimo ritardato wij hadden vertraagd
(voi) aveste ritardato jullie hadden vertraagd
(loro) avessero ritardato zij zouden hebben vertraagd

Imperativo

Imperativo 

Italiaans Nederlands
Ritardo! jij vertraag
Ritarda! hij/zij vertraagt
Ritardi! wij vertragen
Ritardiamo! vertragen jullie
Ritardate! vertraag