Scegliere (kiezen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van scegliere (kiezen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Scegliere (kiezen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 5: A casa (Thuis)

Les 35: Alloggio (Huisvesting en accommodatie)

Infinito Participio passato
Scegliere (kiezen) Scelto (Gekozen)

Werkwoordstijden

Indicativo

Presente 

Italiaans Nederlands
(io) scelgo ik kies
(tu) scegli jij kiest
(lui/lei) sceglie hij/zij kiest
(noi) scegliamo wij kiezen
(voi) scegliete jullie kiezen
(loro) scelgono zij kiezen

Imperfetto 

Italiaans Nederlands
(io) sceglievo ik koos
(tu) sceglievi jij koos
(lui/lei) sceglieva hij/zij koos
(noi) sceglievamo wij kozen
(voi) sceglievate jullie kozen
(loro) sceglievano zij kozen

Passato prossimo 

Italiaans Nederlands
(io) ho scelto ik heb gekozen
(tu) hai scelto jij hebt gekozen
(lui/lei) ha scelto hij/zij heeft gekozen
(noi) abbiamo scelto wij hebben gekozen
(voi) avete scelto jullie hebben gekozen
(loro) hanno scelto zij hebben gekozen

Trapassato prossimo 

Italiaans Nederlands
(io) avevo scelto ik had gekozen
(tu) avevi scelto jij had gekozen
(lui/lei) aveva scelto hij/zij had gekozen
(noi) avevamo scelto Wij hadden gekozen
(voi) avevate scelto jullie hadden gekozen
(loro) avevano scelto zij hadden gekozen

Futuro semplice 

Italiaans Nederlands
(io) sceglierò ik zal kiezen
(tu) sceglierai jij zult kiezen
(lui/lei) sceglierà hij/zij zal kiezen
(noi) sceglieremo wij zullen kiezen
(voi) sceglierete jullie zullen kiezen
(loro) sceglieranno zij zullen kiezen

Futuro anteriore 

Italiaans Nederlands
(io) avrò scelto ik zal gekozen hebben
(tu) avrai scelto jij zult gekozen hebben
(lui/lei) avrà scelto hij/zij zal gekozen hebben
(noi) avremo scelto wij zullen gekozen hebben
(voi) avrete scelto jullie zullen gekozen hebben
(loro) avranno scelto zij zullen gekozen hebben

Condizionale

Condizionale presente 

Italiaans Nederlands
(io) sceglierei ik zou kiezen
(tu) sceglieresti jij zou kiezen
(lui/lei) sceglierebbe hij/zij zou kiezen
(noi) sceglieremmo wij zouden kiezen
(voi) scegliereste jullie zouden kiezen
(loro) sceglierebbero zij zouden kiezen

Condizionale passato 

Italiaans Nederlands
(io) avrei scelto ik zou gekozen hebben
(tu) avresti scelto jij zou hebben gekozen
(lui/lei) avrebbe scelto hij/zij zou hebben gekozen
(noi) avremmo scelto wij zouden gekozen hebben
(voi) avreste scelto jullie zouden hebben gekozen
(loro) avrebbero scelto zij zouden gekozen hebben

Congiuntivo

Congiuntivo presente 

Italiaans Nederlands
(io) scelga ik kies
(tu) scelga jij kiest
(lui/lei) scelga hij/zij kiest
(noi) scegliamo wij kiezen
(voi) scegliate jullie kiezen
(loro) scelgano zij kiezen

Congiuntivo passato 

Italiaans Nederlands
(io) abbia scelto ik heb gekozen
(tu) abbia scelto jij hebt gekozen
(lui/lei) abbia scelto hij/zij heeft gekozen
(noi) abbiamo scelto wij hebben gekozen
(voi) abbiate scelto jullie zijn gekozen
(loro) abbiano scelto zij hebben gekozen

Congiuntivo imperfetto 

Italiaans Nederlands
(io) scegliessi ik koos
(tu) scegliessi jij koos
(lui/lei) scegliesse hij/zij koos
(noi) scegliessimo wij zouden kiezen
(voi) sceglieste jullie kozen
(loro) scegliessero zij zouden kiezen

Congiuntivo trapassato 

Italiaans Nederlands
(io) avessi scelto ik had gekozen
(tu) avessi scelto jij zou gekozen hebben
(lui/lei) avesse scelto hij/zij zou gekozen hebben
(noi) avessimo scelto wij hadden gekozen
(voi) aveste scelto jullie hadden gekozen
(loro) avessero scelto zij zouden gekozen hebben

Imperativo

Imperativo 

Italiaans Nederlands
Scegliamo! Kies!
Scegli! kies
Scelga! Wij kiezen
Scegliamo! Kies!
Scegliete! kies!