Viaggiare (reizen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van viaggiare (reizen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Viaggiare (reizen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 6: La città e il villaggio (De stad en het dorp)

Les 41: Descrivere gli hobby (Hobby's beschrijven)

Infinito Participio passato
Viaggiare (reizen) Viaggiato (gereisd)

Werkwoordstijden

Indicativo

Presente 

Italiaans Nederlands
(io) viaggio ik reis
(tu) viaggi jij reist
(lui/lei) viaggia hij/zij reist
(noi) viaggiamo wij reizen
(voi) viaggiate jullie reizen
(loro) viaggiano zij reizen

Imperfetto 

Italiaans Nederlands
(io) viaggiavo ik reisde
(tu) viaggiavi jij reisde
(lui/lei) viaggiava hij/zij reisde
(noi) viaggiavamo wij reisden
(voi) viaggiavate jullie reisden
(loro) viaggiavano zij reisden

Passato prossimo 

Italiaans Nederlands
(io) ho viaggiato Ik heb gereisd
(tu) hai viaggiato jij hebt gereisd
(lui/lei) ha viaggiato hij/zij heeft gereisd
(noi) abbiamo viaggiato wij hebben gereisd
(voi) avete viaggiato jullie hebben gereisd
(loro) hanno viaggiato zij hebben gereisd

Trapassato prossimo 

Italiaans Nederlands
(io) ero viaggiato ik was gereisd
(tu) eri viaggiato jij was gereisd
(lui/lei) era viaggiato/viaggiata hij had gereisd/zij had gereisd
(noi) eravamo viaggiati wij waren gereisd
(voi) eravate viaggiati jullie waren gereisd
(loro) erano viaggiati/viaggiate zij waren gereisd

Futuro semplice 

Italiaans Nederlands
(io) viaggerò ik zal reizen
(tu) viaggerai jij zult reizen
(lui/lei) viaggerà hij/zij zal reizen
(noi) viaggeremo wij zullen reizen
(voi) viaggerete jullie zullen reizen
(loro) viaggeranno zij zullen reizen

Futuro anteriore 

Italiaans Nederlands
(io) avrò viaggiato ik zal gereisd hebben
(tu) avrai viaggiato jij zult gereisd hebben
(lui/lei) avrà viaggiato hij/zij zal gereisd hebben
(noi) avremo viaggiato wij zullen gereisd hebben
(voi) avrete viaggiato jullie zullen gereisd hebben
(loro) avranno viaggiato zij zullen gereisd hebben

Condizionale

Condizionale presente 

Italiaans Nederlands
(io) viaggerei ik zou reizen
(tu) viaggeresti jij zou reizen
(lui/lei) viaggerebbe hij/zij zou reizen
(noi) viaggeremmo wij zouden reizen
(voi) viaggereste jullie zouden reizen
(loro) viaggerebbero zij zouden reizen

Condizionale passato 

Italiaans Nederlands
(io) avrei viaggiato ik zou gereisd hebben
(tu) avresti viaggiato jij zou gereisd hebben
(lui/lei) avrebbe viaggiato hij/zij zou gereisd hebben
(noi) avremmo viaggiato wij zouden hebben gereisd
(voi) avreste viaggiato jullie zouden gereisd hebben
(loro) avrebbero viaggiato zij zouden gereisd hebben

Congiuntivo

Congiuntivo presente 

Italiaans Nederlands
(io) viaggi ik reis
(tu) viaggi jij reis
(lui/lei) viaggi hij/zij reist
(noi) viaggiamo wij reizen
(voi) viaggiate jullie reizen
(loro) viaggino zij reizen

Congiuntivo passato 

Italiaans Nederlands
(io) abbia viaggiato ik heb gereisd
(tu) abbia viaggiato jij hebt gereisd
(lui/lei) abbia viaggiato hij/zij heeft gereisd
(noi) abbiamo viaggiato wij hebben gereisd
(voi) abbiate viaggiato jullie hebben gereisd
(loro) abbiano viaggiato zij hebben gereisd

Congiuntivo imperfetto 

Italiaans Nederlands
(io) viaggiassi ik reisde
(tu) viaggiassi jij zou reizen
(lui/lei) viaggiasse hij/zij reisde
(noi) viaggiassimo wij reizden
(voi) viaggiaste jullie reisden
(loro) viaggiassero zij reisden

Congiuntivo trapassato 

Italiaans Nederlands
(io) avessi viaggiato ik had gereisd
(tu) avessi viaggiato jij had gereisd
(lui/lei) avesse viaggiato hij/zij had gereisd
(noi) avessimo viaggiato wij hadden gereisd
(voi) aveste viaggiato jullie hadden gereisd
(loro) avessero viaggiato zij zouden gereisd hebben

Imperativo

Imperativo 

Italiaans Nederlands
Viaggia! reis
Viaggia! reis
Viaggi! laten we reizen
Viaggiamo! Jullie reizen!
Viaggiate! Reis!