Nederlands A1 module 3: Dag tot dag (Dag tot dag)

Dit is leerzaam module 3 van 6 van ons Nederlandse A1-leerplan. Elk leerzaam module bevat 6 tot 8 hoofdstukken.

Leerdoelen:

  • Praat over je dagelijkse activiteiten.
  • Basisvragen stellen.
  • Winkelen en kopen.

Woordenlijst (135)

Kernwoordenschat (135): Werkwoorden: 35, Bijvoeglijke naamwoorden: 4, Bijwoorden: 1, Zelfstandige naamwoorden: 86, Vragen: 7, Zinnen / woordcombinatie: 2

Nederlands Nederlands
Aanbieden Aanbieden
Antwoorden Antwoorden
Bakken Bakken
Beginnen Beginnen
Betalen Betalen
Boodschappen doen Boodschappen doen
Dagelijks Dagelijks
De aardappel De aardappel
De appel De appel
De arm De arm
De banaan De banaan
De bloem Het meel
De bloes bloes
De boodschappenlijst De boodschappenlijst
De boter De boter
De broek broek
De buik De buik
De cassière De cassière
De eieren De eieren
De euro De euro
De gist De gist
De groente De groente
De hand De hand
De handschoenen handschoenen
De ingrediënten De ingrediënten
De jas jas
De jurk jurk
De kaart Betaalkaart
De kaas De kaas
De kassa De kassa
De kleding kleding
De knoflook De knoflook
De koffie De koffie
De komkommer De komkommer
De korting Korting
De laarzen laarzen
De maat maat
De markt De markt
De melk De melk
De mond De mond
De muts muts
De nek De nek
De neus De neus
De olie De olie
De paprika De paprika
De portemonnee Portemonnee
De prijs Prijs
De rekening Rekening
De riem riem
De rok rok
De rug De rug
De schoenen schoenen
De sinaasappel De sinaasappel
De sla De sla
De slagroom De slagroom
De spijkerbroek spijkerbroek
De suiker De suiker
De supermarkt De supermarkt
De thee De thee
De tomaat De tomaat
De trui trui
De ui De ui
De vinger De vinger
De vis De vis
De voet De voet
De winkel Winkel
De wortel De wortel
De yoghurt De yoghurt
Doen Doen
Douchen Douchen
Draaien Draaien
Dragen dragen
Drinken Drinken
Duur Duur
Een snufje zout Een snufje zout
Eten Eten
Goedkoop Goedkoop
Gram Gram
Gratis Gratis
Het T-shirt T-shirt
Het antwoord Het antwoord
Het avondeten Het avondeten
Het been Het been
Het brood Het brood
Het contant geld Contant geld
Het fruit Het fruit
Het geld Geld
Het gezicht Het gezicht
Het haar Het haar
Het hoofd Het hoofd
Het lichaam Het lichaam
Het ontbijt Het ontbijt
Het oog Het oog
Het oor Het oor
Het overhemd overhemd
Het pak pak
Het recept Het recept
Het vlees Het vlees
Het water Het water
Het winkelkarretje Het winkelkarretje
Het zout Het zout
Hoe? Hoe?
Hoeveel? Hoeveel?
Huisgemaakt Huisgemaakt
Kammen Kammen
Kilogram Kilogram
Koekjes Koekjes
Kopen Kopen
Kosten Kosten
Kunnen Kunnen
Mengen Mengen
Moeten Moeten
Mogen Mogen
Nodig hebben Nodig hebben
Omdraaien Omdraaien
Ontbijten Ontbijten
Opstaan Opstaan
Passen passen
Slapen Slapen
Snijden Snijden
Verkopen Verkopen
Vragen Vragen
Waar? Waar?
Waarheen? Waarheen?
Waarom? Waarom?
Wakker worden Wakker worden
Wanneer? Wanneer?
Wat? Wat?
Wegen Wegen
Werken Werken
Willen Willen
Winkelen Winkelen
Zich aankleden Zich aankleden
Zich scheren Zich scheren
Zich wassen Zich wassen