Planear (plannen)

Planear (plannen)

Leer het werkwoord "plannen" vervoegen in het Spaans: tegenwoordige tijd, indicatief.

Presente, indicativo (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

Alle vervoegingen en tijden: Planear (plannen)

Fechas del calendario y días festivos. (Kalenderdata en feestdagen)

Spaans
(yo) planeo
(tú) planeas
(él/ella/usted) planea
(nosotros/nosotras) planeamos
(vosotros/vosotras) planeáis
(ellos/ellas/ustedes) planean