Dutch B1 module 6: Business (Business)

This is learning module 6 of 6 of our Dutch B1 syllabus. Each learning module contains 6 till 8 chapters.

Learning goals:

  • Leadership and team
  • Negotations and contracts
  • Common communication in the company
  • Business sectors and departments

Word list (165)

Core vocabulary (0):
Context vocabulary: 166

Dutch English
Aan bod komen To be addressed / To be covered
Aandringen op To insist on
Aanmoedigen tot to encourage to
Aanpakken to tackle
Aansporen tot to urge to
Aantrekkelijk Attractive
Aanvangen met To begin with / To start with
Aanzetten tot To encourage to
Adviseren To advise
Afhangen van To depend on
Afstappen van To abandon
Azen op To be after
Benoemen tot Appoint as
Beschikken over Have at one's disposal / Possess
Beseffen to realize
Besluiten to decide
Bestaan uit Consist of
Bieden To offer
Bijdragen aan To contribute to
Blijken To turn out / To appear
Concluderen To conclude
Concluderen uit To conclude from
De HR-directeur The HR director
De afstand The distance
De agenda The agenda
De algemeen directeur The general director
De ambassadeur The ambassador
De assistent The assistant
De autorisatie The authorization
De autosnelweg The motorway
De bankmedewerker The bank clerk
De belofte The promise
De bijdrage The contribution
De bijeenkomst The meeting
De brandstof The fuel
De burgemeester The mayor
De burger The citizen
De busstrook The bus lane
De conferentie The conference
De consul The consul
De consument The consumer
De controle The control
De directeur The director
De file The traffic jam
De footgangers The pedestrians
De kans The opportunity
De kilometervergoeding The mileage allowance
De kofferbak The trunk
De korting The discount
De laboratoriumjas The lab coat
De leiding the leadership
De leidinggevende the manager
De locatie The venue / location
De minister van Binnenlandse Zaken The Minister of the Interior
De minister van Buitenlandse Zaken The Minister of Foreign Affairs
De minister van Defensie The Minister of Defence
De minister van Onderwijs The Minister of Education
De onderzoeker The researcher
De ontwerper The designer
De overstroming The flood
De politicus The politician
De raad van bestuur The board of directors
De recycling Recycling
De reiskosten The travel expenses
De sanctie The sanction
De sessie The session
De snelweg The highway
De spits The rush hour
De subsidie The subsidy
De taakverdeling The division of tasks
De teamleider The team leader
De termijn The deadline
De toestemming The consent
De truc The trick
De uitverkoop The sale
De veiligheidsgordel The seat belt
De veiligheidsprocedure The safety procedure
De vereiste The requirement
De vergunning The permit
De verkoopmanager The sales manager
De vertaler The translator
De vervuiling Pollution
De vice-president The vice president
De voetgangers The pedestrians
Deelnemen aan To participate in
Delen in To share in
Duiden op To indicate
Dwingen tot to force to
Geduldig patient
Gelden voor Apply to
Geloven in to believe in
Het HR-departement The HR department
Het administratieve departement The administrative department
Het advocatenkantoor The law firm
Het bestuur the board
Het boekhouddepartement The accounting department
Het chemisch symbool The chemical symbol
Het district The district
Het duurzame beleid Sustainable policy
Het element The element
Het evenement The event
Het magazijn The warehouse
Het nadeel The disadvantage
Het netwerk The network
Het onderzoek The research
Het perron The platform
Het praatje The talk
Het programma The programme / program
Het spoor The railway
Het staatshoofd The head of state
Het tarief The fare
Het verband The correlation
Het vergunningstelsel The permit system
Het vrije beroep An independent profession
Het woon-werkverkeer Commuting
Ingaan tegen To go against
Kennismaken met To get acquainted with / To meet
Kritisch critical
Meedoen aan To take part in
Meegaan in/met To go along with
Nauwkeurig Accurate
Netwerken Networking
Nuttig Useful
Onderdoen voor To be inferior to
Onderwerpen aan To subject to
Onderzoek doen naar To research
Ontstaan uit To arise from
Openbaar Public
Opkomen voor to stand up for
Opschieten To hurry up
Opwekken tot To incite to
Overgaan tot To proceed to
Overhalen om To persuade to
Overtuigen van To convince of
Parkeren To park
Profiteren van To benefit from
Refereren aan To refer to
Rekenen op to count on
Sociaal sociable
Stemmen op Vote for
Steunen op to rely on
Strekken tot To extend to
Streven naar to strive for
Strijden tegen To fight against
Toestaan to allow
Toezien op to oversee
Uitbreiden To expand
Uitkomen op To result in
Verbieden to forbid
Vertraging hebben To be delayed
Vervaardigen uit To produce from
Vervaardigen van To manufacture from
Voordelig Favourable
Waken voor To guard against
Werkzaam Employed / Working
Wijzen naar To point to
Zich bedienen van To make use of
Zich beroemen op to boast about
Zich inzetten voor To commit oneself to
Zich lenen tot To lend itself to
Zich onthouden van To refrain from
Zich richten op To target
Zich wenden tot to turn to
Zinnen op To aim for
Zuiveren van To purify from