Herken de woorden in de video: plassen, kat, urine, buurtkat, stress, kattenbak, buiten, gedrag.
recognise the words in the video: urinating, cat, urine, neighbourhood cat, stress, litter tray, outside, behaviour.

Wat doen als de kat in huis plast of poept?

1. Soms poept of plast een huisdier in huis. (Sometimes a pet poops or pees inside the house.) Show
2. Wat moet je doen als je kat naast de kattenbak plast? (What should you do if your cat pees next to the litter box?) Show
3. Misschien is de kat ziek, dat gebeurt vaak. (Maybe the cat is sick, that happens often.) Show
4. Er is 50% kans dat het een medisch probleem is. (There is a 50% chance that it is a medical problem.) Show
5. Ga snel naar de dierenarts als je dit ziet. (Quickly go to the vet if you see this.) Show
6. De dierenarts doet een plas-test om te kijken of je kat ziek is. (The vet does a urine test to check if your cat is sick.) Show
7. Is je kat niet ziek? Dan is hij misschien gestrest. (Is your cat not sick? Then it might be stressed.) Show
8. Stress komt door een nieuwe bank, een andere kat of een verandering in huis. (Stress comes from a new couch, another cat, or a change in the house.) Show
9. Je kunt helpen met een feromonen-verdamper en genoeg kattenbakken. (You can help with a pheromone diffuser and enough litter boxes.) Show
10. Plak het raam dicht of gebruik een kattenluik met chip. (Tape the window shut or use a cat flap with a chip.) Show
11. Na een week is je kat vaak rustiger. (After a week your cat is often calmer.) Show
12. Als hij nog plast in huis, bel dan een kattengedragstherapeut. (If he still pees inside, call a cat behavior therapist.) Show

Exercise 1: Discussion questions

Instruction: Discuss the questions after listening to the audio or reading through the text.

  1. Wanneer plast de kat in huis?
  2. When does the cat urinate in the house?
  3. Wat moet je doen als de kat in huis plast?
  4. What should you do if the cat urinates in the house?
  5. Hoe kun je je kat rustiger maken?
  6. How can you calm your cat down?
  7. Heb jij huisdieren? Welke? Of wil je huisdieren?
  8. Do you have pets? Which ones? Or do you want pets?
  9. Bespreek de routines. Hoe vaak geef je eten aan je huisdier?
  10. Discuss the routines. How often do you feed your pet?