Bezoeken (to visit)

Bezoeken (to visit)

Learn to conjugate the verb "to visit" in Dutch: present perfect tense, indicative mood tense

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT), aantonende wijs (Present perfect tense, indicative mood)

All conjugations and tenses: Bezoeken (to visit)

Vakantieplannen (Holiday plans)

Dutch
(ik) heb bezocht
(jij/je) hebt bezocht / hebt bezocht
(hij/zij/ze/het) heeft bezocht
(wij/we) hebben bezocht
(jullie) hebben bezocht
(zij/ze) hebben bezocht