Gaan (go)

Gaan (go)

Learn to conjugate the verb "Go" in Dutch: past perfect, indicative mood tense

Onvoltooid verleden tijd (OVT), aantonende wijs (Past Perfect, indicative mood)

All conjugations and tenses: Gaan (go)

Seizoenen, maanden en delen van het jaar (Seasons, months and parts of the year)

Dutch
(ik) ging
(jij/je/u) ging/ginge
(hij/zij/ze/het) ging
(wij/we) gingen
(jullie) gingen
(zij/ze) gingen