Reizen (voyager)

Reizen (voyager)

Apprenez à conjuguer le verbe « Voyager » en néerlandais : présent continu, mode indicatif

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT), aantonende wijs (Présent de l'indicatif, indicatif)

Toutes les conjugaisons et les temps: Reizen (voyager)

Vakantieplannen (Des plans de vacances)

Néerlandais
(ik) reis
(jij/je/u) reist
(hij/zij/ze/het) reist
(wij/we) reizen
(jullie) reizen
(zij/ze) reizen