Kennenlernen (kennenlernen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van kennenlernen (kennenlernen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Kennenlernen (kennenlernen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 4: Objekte und Personen beschreiben (Objecten en mensen beschrijven)

Les 28: Charakter und Persönlichkeit (Karakter en persoonlijkheid)

Infinitiv Partizip
Kennenlernen (kennenlernen) kennengelernt (ontmoet)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) lerne kennen ik leer kennen
(du) lernst kennen jij leert kennen
(er/sie/es) lernt kennen hij/zij/het leert kennen
(wir) lernen kennen wij leren kennen
(ihr) lernt kennen jullie leren kennen
(sie) lernen kennen zij leren kennen

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) lernte kennen ik leerde kennen
(du) lerntest kennen jij leerde kennen
(er/sie/es) lernte kennen hij/zij/het leerde kennen
(wir) lernten kennen wij leerden kennen
(ihr) lerntet kennen jullie leerden kennen
(sie) lernten kennen zij leerden kennen

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe kennengelernt ik heb leren kennen
(du) hast kennengelernt jij hebt leren kennen
(er/sie/es) hat kennengelernt hij/zij/het heeft leren kennen
(wir) haben kennengelernt wij hebben leren kennen
(ihr) habt kennengelernt jullie hebben leren kennen
(sie) haben kennengelernt ze hebben leren kennen

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte kennengelernt ik had leren kennen
(du) hattest kennengelernt je had leren kennen
(er/sie/es) hatte kennengelernt hij/zij/het had leren kennen
(wir) hatten kennengelernt wij hadden leren kennen
(ihr) hattet kennengelernt jullie hadden leren kennen
(sie) hatten kennengelernt zij hadden leren kennen

Futur I 

Duits Nederlands
(ich) werde kennenlernen ik zal kennismaken
(du) wirst kennenlernen jij zult kennenlernen
(er/sie/es) wird kennenlernen hij/zij/het zal kennismaken
(wir) werden kennenlernen wij zullen kennismaken
(ihr) werdet kennenlernen jullie zullen kennismaken
(sie) werden kennenlernen zij zullen kennismaken

Futur II 

Duits Nederlands
ich werde kennengelernt haben ik zal hebben leren kennen
du wirst kennengelernt haben jij zult hebben leren kennen
er/sie/es wird kennengelernt haben hij/zij/het zal hebben leren kennen
wir werden kennengelernt haben wij zullen elkaar hebben leren kennen
ihr werdet kennengelernt haben jullie zullen hebben leren kennen
sie werden kennengelernt haben zij zullen hebben leren kennen

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) lernte kennen ik zou kennismaken
(du) lerntest kennen jij zou kennismaken
(er/sie/es) lernte kennen hij/zij/het zou leren kennen
(wir) lernten kennen wij zouden kennismaken
(ihr) lerntet kennen jullie zouden kennenlernen
(sie) lernten kennen zij zouden leren kennen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte kennengelernt ik zou hebben leren kennen
(du) hättest kennengelernt jij zou hebben leren kennen
(er/sie/es) hätte kennengelernt hij/zij/het zou hebben leren kennen
(wir) hätten kennengelernt wij zouden hebben leren kennen
(ihr) hättet kennengelernt jullie zouden hebben leren kennen
(sie) hätten kennengelernt zij zouden hebben leren kennen

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Kennenlernen! jij leert kennen