Kennenlernen (kennenlernen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Delen
Gekopieerd!
Vervoeging van kennenlernen (kennenlernen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.
Infinitiv |
Partizip |
Kennenlernen
(kennenlernen)
|
kennengelernt
(ontmoet)
|
Werkwoordstijden
Indikativ
Präsens
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) lerne kennen |
ik leer kennen |
(du) lernst kennen |
jij leert kennen |
(er/sie/es) lernt kennen |
hij/zij/het leert kennen |
(wir) lernen kennen |
wij leren kennen |
(ihr) lernt kennen |
jullie leren kennen |
(sie) lernen kennen |
zij leren kennen |
|
Präteritum
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) lernte kennen |
ik leerde kennen |
(du) lerntest kennen |
jij leerde kennen |
(er/sie/es) lernte kennen |
hij/zij/het leerde kennen |
(wir) lernten kennen |
wij leerden kennen |
(ihr) lerntet kennen |
jullie leerden kennen |
(sie) lernten kennen |
zij leerden kennen |
|
Perfekt
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) habe kennengelernt |
ik heb leren kennen |
(du) hast kennengelernt |
jij hebt leren kennen |
(er/sie/es) hat kennengelernt |
hij/zij/het heeft leren kennen |
(wir) haben kennengelernt |
wij hebben leren kennen |
(ihr) habt kennengelernt |
jullie hebben leren kennen |
(sie) haben kennengelernt |
ze hebben leren kennen |
|
Plusquamperfekt
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) hatte kennengelernt |
ik had leren kennen |
(du) hattest kennengelernt |
je had leren kennen |
(er/sie/es) hatte kennengelernt |
hij/zij/het had leren kennen |
(wir) hatten kennengelernt |
wij hadden leren kennen |
(ihr) hattet kennengelernt |
jullie hadden leren kennen |
(sie) hatten kennengelernt |
zij hadden leren kennen |
|
Futur I
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) werde kennenlernen |
ik zal kennismaken |
(du) wirst kennenlernen |
jij zult kennenlernen |
(er/sie/es) wird kennenlernen |
hij/zij/het zal kennismaken |
(wir) werden kennenlernen |
wij zullen kennismaken |
(ihr) werdet kennenlernen |
jullie zullen kennismaken |
(sie) werden kennenlernen |
zij zullen kennismaken |
|
Futur II
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich werde kennengelernt haben |
ik zal hebben leren kennen |
du wirst kennengelernt haben |
jij zult hebben leren kennen |
er/sie/es wird kennengelernt haben |
hij/zij/het zal hebben leren kennen |
wir werden kennengelernt haben |
wij zullen elkaar hebben leren kennen |
ihr werdet kennengelernt haben |
jullie zullen hebben leren kennen |
sie werden kennengelernt haben |
zij zullen hebben leren kennen |
|
Konjunktiv II
Konjunktiv II Präsens
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) lernte kennen |
ik zou kennismaken |
(du) lerntest kennen |
jij zou kennismaken |
(er/sie/es) lernte kennen |
hij/zij/het zou leren kennen |
(wir) lernten kennen |
wij zouden kennismaken |
(ihr) lerntet kennen |
jullie zouden kennenlernen |
(sie) lernten kennen |
zij zouden leren kennen |
|
Konjunktiv II Vergangenheit
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) hätte kennengelernt |
ik zou hebben leren kennen |
(du) hättest kennengelernt |
jij zou hebben leren kennen |
(er/sie/es) hätte kennengelernt |
hij/zij/het zou hebben leren kennen |
(wir) hätten kennengelernt |
wij zouden hebben leren kennen |
(ihr) hättet kennengelernt |
jullie zouden hebben leren kennen |
(sie) hätten kennengelernt |
zij zouden hebben leren kennen |
|
Imperativ