Aller (gaan) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van aller (gaan) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Aller (gaan) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 5: À la maison (Thuis)

Les 35: Logement et hébergement (Huisvesting en accommodatie)

Infinitif Participe passé
Aller (gaan) allé (gegaan)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') vais ik ga
(tu) vas jij gaat
(il/elle/on) va hij/zij/men gaat
(nous) allons wij gaan
(vous) allez u gaat
(ils/elles) vont zij gaan

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') allais ik ging
(tu) allais jij ging
(il/elle/on) allait hij/zij/men ging
(nous) allions wij gingen
(vous) alliez jullie gingen
(ils/elles) allaient zij gingen

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') je suis allé / je suis allée ik ben gegaan
tu es allé / tu es allée jij bent gegaan
(il/elle/on) il est allé / elle est allée / on est allé hij is gegaan / zij is gegaan / men is gegaan
nous sommes allés / nous sommes allées wij zijn gegaan / wij zijn gegaan
vous êtes allé / vous êtes allée / vous êtes allés / vous êtes allées jullie zijn gegaan / u bent gegaan / jullie zijn gegaan / u bent gegaan
(ils/elles) ils sont allés / elles sont allées zij zijn gegaan

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') j'étais allé(e) ik was gegaan
tu étais allé(e) jij was gegaan
il/elle/on était allé(e) hij/zij/men was gegaan
nous étions allé(e)s wij waren gegaan
vous étiez allé(e)(s) u was gegaan
ils/elles étaient allé(e)s zij waren gegaan

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') j'irai ik zal gaan
(tu) iras jij zal gaan
(il/elle/on) ira hij/zij/men zal gaan
(nous) irons wij zullen gaan
(vous) irez jullie zullen gaan
(ils/elles) iront zij zullen gaan

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') serai allé/irais ik zal gegaan zijn
(tu) seras allé/irais jij zult gegaan zijn/jij zou gaan
(il/elle/on) sera allé/irait hij/zij/men zal zijn gegaan
(nous) serons allés/irions wij zullen gegaan zijn/wij zouden gaan
(vous) serez allés/iriez jullie zullen zijn gegaan/zouden gaan
(ils/elles) seront allés/iraient zij zullen gegaan zijn/zij zouden gegaan zijn

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') irais ik zou gaan
(tu) irais jij zou gaan
(il/elle/on) irait hij/zij/men zou gaan
(nous) irions wij zouden gaan
(vous) iriez jullie zouden gaan
(ils/elles) iraient zij zouden gaan

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') serais allé(e) ik zou zijn gegaan
(tu) serais allé(e) jij zou zijn gegaan
(il/elle/on) serait allé(e) hij/zij/men zou zijn gegaan
(nous) serions allé(e)s wij zouden zijn gegaan
(vous) seriez allé(e)(s) jullie zouden zijn gegaan / u zou zijn gegaan
(ils/elles) seraient allé(e)s zij zouden zijn gegaan

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') aille ik ga
(tu) ailles jij gaat
(il/elle/on) aille hij/zij/men gaat
(nous) allions wij gaan
(vous) alliez u gaat
(ils/elles) aillent zij gaan

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que je sois allé(e) ik ben gegaan
(tu) que tu sois allé(e) jij zou zijn gegaan
(il/elle/on) qu'il/elle/on soit allé(e) (hij/zij/men) dat hij gegaan is
(nous) que nous soyons allé(e)s wij zijn gegaan
(vous) que vous soyez allé(e)(s) jullie zijn gegaan
(ils/elles) qu'ils/elles soient allé(e)s zij dat ze gegaan zijn

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Allons! ga
Va! Ga maar