Changer (veranderen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van changer (veranderen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Changer (veranderen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 4: Décrire des objets et des personnes (Objecten en mensen beschrijven)

Les 23: Apparence physique (Fysiek en uiterlijk)

Infinitif Participe passé
Changer (veranderen) changé (veranderd)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') change ik verander
(tu) changes jij verandert
(il/elle/on) change hij/zij/men verandert
(nous) changeons wij veranderen
(vous) changez jullie veranderen
(ils/elles) changent zij veranderen

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') changeais ik veranderde
(tu) changeais jij veranderde
(il/elle/on) changeait hij/zij/men veranderde
(nous) changions wij veranderden
(vous) changiez jullie veranderden/u veranderde(n)
(ils/elles) changeaient zij veranderden

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai changé ik ben veranderd
tu as changé jij bent veranderd
il/elle/on a changé hij/zij/men is veranderd
nous avons changé wij hebben veranderd
vous avez changé jullie hebben veranderd
ils/elles ont changé zij zijn veranderd

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') avais changé ik had veranderd
(tu) avais changé jij had veranderd
(il/elle/on) avait changé hij/zij/men was veranderd
(nous) avions changé wij hadden veranderd
(vous) aviez changé jullie hadden veranderd
(ils/elles) avaient changé zij hadden veranderd

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') changerai ik zal veranderen
(tu) changera(s) jij zult veranderen
(il/elle/on) changera hij/zij/men zal veranderen
(nous) changerons wij zullen veranderen
(vous) changerez jullie zullen veranderen
(ils/elles) changeront zij zullen veranderen

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai changé ik zal veranderd hebben
(tu) auras changé jij zult veranderd hebben
(il/elle/on) aura changé hij/zij/men zal veranderd hebben
(nous) aurons changé wij zullen veranderd hebben
(vous) aurez changé jullie zullen veranderd hebben
(ils/elles) auront changé zij zullen veranderd hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') changerais ik zou veranderen
(tu) changerais jij zou veranderen
(il/elle/on) changerait hij/zij/men zou veranderen
(nous) changerions wij zouden veranderen
(vous) changeriez u zou veranderen
(ils/elles) changeraient zij zouden veranderen

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais changé ik zou veranderd hebben
(tu) aurais changé jij zou veranderd hebben
(il/elle/on) aurait changé hij/zij/men zou veranderd hebben
(nous) aurions changé wij zouden veranderd hebben
(vous) auriez changé u zou veranderd hebben
(ils/elles) auraient changé zij zouden veranderd hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') change ik verander
(tu) changes jij verander
(il/elle/on) change hij/zij/men verandert
(nous) changions wij veranderen
(vous) changiez jullie veranderen
(ils/elles) changent zij veranderen

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') aie changé ik ben veranderd
(tu) aies changé jij bent veranderd
(il/elle/on) ait changé hij/zij/men is veranderd
(nous) ayons changé wij zijn veranderd
(vous) ayez changé jullie/zijn veranderd
(ils/elles) aient changé zij hebben veranderd

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Change! jij verander
Change! jij verander