Contrôler (controleren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van contrôler (controleren) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Contrôler (controleren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 2: Société et gouvernement (Maatschappij en overheid)

Les 13: À la banque (Bij de bank)

Infinitif Participe passé
Contrôler (controleren) contrôlé (gecontroleerd)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') contrôle ik controleer
(tu) contrôles jij controleert
(il/elle/on) contrôle hij/zij/men controleert
(nous) contrôlons wij controleren
(vous) contrôlez jullie controleren
(ils/elles) contrôlent zij controleren

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') je contrôlais ik controleerde
tu contrôlais jij controleerde
il/elle/on contrôlait hij/zij/men controleerde
nous contrôlions wij controleerden
vous contrôliez jullie controleerden
ils/elles contrôlaient zij controleerden

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') ai contrôlé ik heb gecontroleerd
(tu) as contrôlé jij hebt gecontroleerd
(il/elle/on) a contrôlé hij/zij/men heeft gecontroleerd
(nous) avons contrôlé wij hebben gecontroleerd
(vous) avez contrôlé jullie hebben gecontroleerd
(ils/elles) ont contrôlé zij hebben gecontroleerd

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') j'avais contrôlé ik had gecontroleerd
tu avais contrôlé jij had gecontroleerd
il/elle/on avait contrôlé hij/zij/men had gecontroleerd
nous avions contrôlé wij hadden gecontroleerd
vous aviez contrôlé jullie hadden gecontroleerd
ils/elles avaient contrôlé zij hadden gecontroleerd

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') je contrôlerai / j' contrôlerai ik zal controleren
tu contrôleras jij zult controleren
(il/elle/on) il contrôlera / elle contrôlera / on contrôlera hij zal controleren/zij zal controleren/men zal controleren
nous contrôlerons wij zullen controleren
vous contrôlerez u zult controleren
(ils/elles) ils contrôleront / elles contrôleront zij zullen controleren

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai contrôlé ik zal gecontroleerd hebben
(tu) auras contrôlé jij zult gecontroleerd hebben
(il/elle/on) aura contrôlé hij/zij/men zal gecontroleerd hebben
(nous) aurons contrôlé wij zullen gecontroleerd hebben
(vous) aurez contrôlé u zult gecontroleerd hebben
(ils/elles) auront contrôlé zij zullen gecontroleerd hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') contrôlerais ik zou controleren
(tu) contrôlerais jij zou controleren
(il/elle/on) contrôlerait hij/zij/men zou controleren
(nous) contrôlerions wij zouden controleren
(vous) contrôleriez u zou controleren
(ils/elles) contrôleraient zij zouden controleren

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais contrôlé ik zou gecontroleerd hebben
(tu) aurais contrôlé jij zou gecontroleerd hebben
(il/elle/on) aurait contrôlé hij/zij/men zou gecontroleerd hebben
(nous) aurions contrôlé wij zouden gecontroleerd hebben
(vous) auriez contrôlé u zou gecontroleerd hebben
(ils/elles) auraient contrôlé zij zouden gecontroleerd hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') contrôle ik controleer
(tu) contrôles jij controleert
(il/elle/on) contrôle hij/zij/men controleert
(nous) contrôlions wij controleren
(vous) contrôliez jullie controleren/u controleren
(ils/elles) contrôlent zij controleren

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que j'aie contrôlé ik heb gecontroleerd
(tu) que tu aies contrôlé jij hebt gecontroleerd
(il/elle/on) qu'il/elle/on ait contrôlé hij/zij/men heeft gecontroleerd
(nous) que nous ayons contrôlé wij hebben gecontroleerd
(vous) que vous ayez contrôlé u hebt gecontroleerd
(ils/elles) qu'ils/elles aient contrôlé zij hebben gecontroleerd

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Contrôle! jij controleer
Contrôle! jij controleer