Faire (doen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van faire (doen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Faire (doen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 5: À la maison (Thuis)

Les 34: Appareils ménagers (Huishoudelijke apparaten)

Infinitif Participe passé
Faire (doen) fait (maakt)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') je fais / j'fais ik doe
tu fais jij doet
(il/elle/on) il fait / elle fait / on fait hij doet / zij doet / men doet
nous faisons wij doen
vous faites jullie doen/u doet
(ils/elles) ils font / elles font zij doen

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') faisais ik deed
(tu) faisais jij deed
(il/elle/on) faisait hij/zij/men deed
(nous) faisions wij deden
(vous) faisiez jullie deden
(ils/elles) faisaient zij deden

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai fait ik heb gedaan
tu as fait jij hebt gedaan
il/elle/on a fait hij/zij/men heeft gedaan
nous avons fait wij hebben gedaan
vous avez fait jullie hebben gedaan
ils/elles ont fait zij hebben gedaan

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') avais fait Ik had gedaan
(tu) avais fait jij had gedaan
(il/elle/on) avait fait hij/zij/men had gedaan
(nous) avions fait wij hadden gedaan
(vous) aviez fait jullie hadden gedaan
(ils/elles) avaient fait zij hadden gedaan

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') ferai ik zal doen
(tu) feras jij zult doen
(il/elle/on) fera hij/zij/men zal doen
(nous) ferons wij zullen doen
(vous) ferez jullie zullen doen
(ils/elles) feront zij zullen doen

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai fait ik zal gedaan hebben
(tu) auras fait jij zal gedaan hebben
(il/elle/on) aura fait hij/zij/men zal gedaan hebben
(nous) aurons fait wij zullen gedaan hebben
(vous) aurez fait jullie zullen gedaan hebben
(ils/elles) auront fait zij zullen gedaan hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') ferais ik zou doen
(tu) ferais jij zou doen
(il/elle/on) ferait hij/zij/men zou doen
(nous) ferions wij zouden doen
(vous) feriez jullie zouden doen
(ils/elles) feraient zij zouden doen

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais fait ik zou gedaan hebben
(tu) aurais fait jij zou hebben gedaan
(il/elle/on) aurait fait hij/zij/men zou gedaan hebben
(nous) aurions fait wij zouden hebben gedaan
(vous) auriez fait jullie zouden gedaan hebben
(ils/elles) auraient fait zij zouden hebben gedaan

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') fasse ik doe
(tu) fasses jij doet
(il/elle/on) fasse hij/zij/men doet
(nous) fassions wij doen
(vous) fassiez u doet
(ils/elles) fassent zij doen

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que j'aie fait ik heb gedaan
(tu) que tu aies fait dat jij gedaan hebt
(il/elle/on) qu'il/elle/on ait fait hij/zij/men heeft gedaan
(nous) que nous ayons fait wij hebben gedaan
(vous) que vous ayez fait u dat u gedaan hebt
(ils/elles) qu'ils/elles aient fait (zij) dat zij gedaan hebben

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Fais! doe
Fais! doe