Parler (spreken) - Present, indicatif (Présent, indicatief) Delen Gekopieerd!

Parler - Vervoeging van spreken in het Frans: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, aantonende wijs (Present, indicatif).
Present, indicatif (Présent, indicatief)
Alle vervoegingen en tijden: Parler (spreken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Leerplan: Franse les - Dire ton nom (Je naam zeggen)
Ovtijden van spreken in de tegenwoordige tijd
Frans | Nederlands |
---|---|
(je/j') je parle / j'parle | ik spreek |
tu parles | jij spreekt |
(il/elle/on) il parle / elle parle / on parle | hij spreekt / zij spreekt / men spreekt |
nous parlons | wij spreken |
vous parlez | u spreekt |
(ils/elles) ils parlent / elles parlent | zij spreken |
Voorbeeldzinnen
Frans | Nederlands |
---|---|
Je parle du bus avec le conducteur. | Ik spreek met de buschauffeur. |
Tu parles du métro pour aller à la station. | Jij spreekt over de metro om naar het station te gaan. |
Il parle du vélo dans la rue. | Hij spreekt over de fiets op straat. |
Nous parlons du ticket de la voiture. | Wij spreken over het vliegticket. |
Vous parlez de la moto près du garage. | U spreekt over de motor bij de garage. |
Ils parlent du scooter à pied. | zij spreken over de voetstepper |