Savoir (weten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van savoir (weten) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Savoir (weten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 4: Mode de vie (Levensstijl)

Les 25: Alimentation et habitudes saines (Gezonde voeding en gewoontes)

Infinitif Participe passé
Savoir (weten) su (geweten)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') je sais / j'sais ik weet
tu sais jij weet
(il/elle/on) il sait / elle sait / on sait hij weet/zij weet/men weet
nous savons wij weten
vous savez u weet
(ils/elles) ils savent / elles savent zij weten

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') savais ik wist
(tu) savais jij wist
(il/elle/on) savait hij/zij/men wist
(nous) savions wij wisten
(vous) saviez jullie wisten
(ils/elles) savaient zij wisten

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai su ik heb geweten
tu as su jij hebt geweten
il/elle/on a su hij/zij/men heeft geweten
nous avons su wij hebben geweten
vous avez su u hebt geweten
ils/elles ont su zij hebben geweten

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') avais su / étais su(e) ik had geweten
(tu) avais su / étais su(e) jij had geweten / je was geweten
(il/elle/on) avait su / était su(e) hij/zij/men had geweten
(nous) avions su / étions su(e)s wij hadden geweten
(vous) aviez su / étiez su(e)(s) jullie hadden geweten / u had geweten
(ils/elles) avaient su / étaient su(e)s zij hadden geweten

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') saurai ik zal weten
(tu) sauras jij zult weten
(il/elle/on) saura hij/zij/men zal weten
(nous) saurons wij zullen weten
(vous) saurez jullie zullen weten
(ils/elles) sauront zij zullen weten

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') aurai su ik zal geweten hebben
(tu) auras su jij zul je weten
(il/elle/on) aura su hij/zij/men zal geweten hebben
(nous) aurons su wij zullen geweten hebben
(vous) aurez su jullie zullen geweten hebben
(ils/elles) auront su zij zullen geweten hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') saurais ik zou weten
(tu) saurais jij zou weten
(il/elle/on) saurait hij/zij/men zou weten
(nous) saurions wij zouden weten
(vous) sauriez u zou weten
(ils/elles) sauraient zij zouden weten

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais su ik zou hebben geweten
(tu) aurais su jij zou hebben geweten
(il/elle/on) aurait su hij/zij/men zou geweten hebben
(nous) aurions su wij zouden hebben geweten
(vous) auriez su jullie zouden weten
(ils/elles) auraient su zij zouden geweten hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') sache ik weet
(tu) saches jij weet
(il/elle/on) sache hij/zij/men weet
(nous) sachions wij weten
(vous) sachiez jullie weten/u weet
(ils/elles) sachent zij weten

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') aie su ik heb geweten
(tu) aies su jij hebt geweten
(il/elle/on) ait su hij/zij/men heeft geweten
(nous) ayons su wij hebben geweten
(vous) ayez su jullie zouden geweten hebben
(ils/elles) aient su zij hebben geweten

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Sache! jij weet
Sache! jij weet