Venir (komen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van venir (komen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Venir (komen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 4: Estilo de vida (Levensstijl)

Les 26: Transporte (sostenible) ((Duurzaam) vervoer)

Infinitif Participe passé
Venir (komen) venu (gekomen)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Spaans Nederlands
(je/j') viens ik kom
(tu) viens jij komt
(il/elle/on) vient hij/zij/het komt
(nous) venons wij komen
(vous) venez u komt
(ils/elles) viennent zij komen

Imparfait 

Spaans Nederlands
(je/j') venais ik kwam
(tu) venais jij kwam
(il/elle/on) venait hij/zij/men kwam
(nous) venions wij kwamen
(vous) veniez jullie kwamen/u kwam
(ils/elles) venaient zij kwamen

Passé composé 

Spaans Nederlands
(je/j') je suis venu / je suis venue ik ben gekomen
tu es venu / tu es venue jij bent gekomen / jij bent gekomen
(il/elle/on) il est venu / elle est venue / on est venu(e)s hij is gekomen / zij is gekomen / men is gekomen
nous sommes venus / nous sommes venues wij zijn gekomen
vous êtes venus / vous êtes venues / vous êtes venu / vous êtes venue jullie zijn gekomen / jullie zijn gekomen / u bent gekomen / u bent gekomen
(ils/elles) ils sont venus / elles sont venues zij zijn gekomen / zij zijn gekomen

Plus-que-parfait 

Spaans Nederlands
(je/j') étais venu/venue ik was gekomen
(tu) étais venu/venue jij was gekomen
(il/elle/on) était venu/venue hij/zij/men was gekomen
(nous) étions venus/venues wij waren gekomen
(vous) étiez venus/venues jullie waren gekomen/u was gekomen
(ils/elles) étaient venus/venues zij waren gekomen

Futur simple 

Spaans Nederlands
(je/j') viendrai ik zal komen
(tu) viendras jij zult komen
(il/elle/on) viendra hij/zij/men zal komen
(nous) viendrons wij zullen komen
(vous) viendrez jullie zullen komen
(ils/elles) viendront zij zullen komen

Futur antérieur 

Spaans Nederlands
(je/j') serai venu/serai venue ik zal gekomen zijn
(tu) seras venu/seras venue jij zal gekomen zijn
(il/elle/on) sera venu/sera venue hij/zij/men zal gekomen zijn
(nous) serons venus/serons venues wij zullen gekomen zijn
(vous) serez venus/serez venues jullie zullen gekomen zijn/u zult gekomen zijn
(ils/elles) seront venus/seront venues zij zullen gekomen zijn

Conditionnel

Conditionnel présent 

Spaans Nederlands
(je/j') viendrais ik zou komen
(tu) viendrais jij zou komen
(il/elle/on) viendrait hij/zij/men zou komen
(nous) viendrions wij zouden komen
(vous) viendriez u zou komen
(ils/elles) viendraient zij zouden komen

Conditionnel passé 

Spaans Nederlands
(je/j') serais venu/venue ik zou gekomen zijn
(tu) serais venu/venue jij zou zijn gekomen
(il/elle/on) serait venu/venue hij zou gekomen zijn
(nous) serions venus/venues wij zouden zijn gekomen
(vous) seriez venu/venue/venus/venues jullie zouden gekomen zijn/u zou gekomen zijn
(ils/elles) seraient venus/venues zij zouden gekomen zijn

Subjonctif

Subjonctif présent 

Spaans Nederlands
(je/j') que je vienne ik kom
(tu) que tu viennes dat jij komt
(il/elle/on) qu'il/elle/on vienne hij/zij/men komt
(nous) que nous venions wij komen
(vous) que vous veniez dat jullie komen
(ils/elles) qu'ils/elles viennent zij komen

Subjonctif passé 

Spaans Nederlands
(je/j') que je sois venu/venue ik ben gekomen
(tu) que tu sois venu/venue jij bent gekomen
(il/elle/on) qu'il soit venu/venue hij/zij/men is gekomen
(nous) que nous soyons venus/venues wij zijn gekomen
(vous) que vous soyez venus/venues jullie zijn gekomen/u bent gekomen
(ils/elles) qu'ils soient venus/venues zij zijn gekomen

Impératif

Impératif 

Spaans Nederlands
Viens! kom
Viens! kom