Venir (komen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Delen
Gekopieerd!
Vervoeging van venir (komen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.
Infinitif |
Participe passé |
Venir
(komen)
|
venu
(gekomen)
|
Werkwoordsvervoegingen
Indicatif
Present
Delen
Gekopieerd!
Spaans |
Nederlands |
(je/j') viens |
ik kom |
(tu) viens |
jij komt |
(il/elle/on) vient |
hij/zij/het komt |
(nous) venons |
wij komen |
(vous) venez |
u komt |
(ils/elles) viennent |
zij komen |
|
Imparfait
Delen
Gekopieerd!
Spaans |
Nederlands |
(je/j') venais |
ik kwam |
(tu) venais |
jij kwam |
(il/elle/on) venait |
hij/zij/men kwam |
(nous) venions |
wij kwamen |
(vous) veniez |
jullie kwamen/u kwam |
(ils/elles) venaient |
zij kwamen |
|
Passé composé
Delen
Gekopieerd!
Spaans |
Nederlands |
(je/j') je suis venu / je suis venue |
ik ben gekomen |
tu es venu / tu es venue |
jij bent gekomen / jij bent gekomen |
(il/elle/on) il est venu / elle est venue / on est venu(e)s |
hij is gekomen / zij is gekomen / men is gekomen |
nous sommes venus / nous sommes venues |
wij zijn gekomen |
vous êtes venus / vous êtes venues / vous êtes venu / vous êtes venue |
jullie zijn gekomen / jullie zijn gekomen / u bent gekomen / u bent gekomen |
(ils/elles) ils sont venus / elles sont venues |
zij zijn gekomen / zij zijn gekomen |
|
Plus-que-parfait
Delen
Gekopieerd!
Spaans |
Nederlands |
(je/j') étais venu/venue |
ik was gekomen |
(tu) étais venu/venue |
jij was gekomen |
(il/elle/on) était venu/venue |
hij/zij/men was gekomen |
(nous) étions venus/venues |
wij waren gekomen |
(vous) étiez venus/venues |
jullie waren gekomen/u was gekomen |
(ils/elles) étaient venus/venues |
zij waren gekomen |
|
Futur simple
Delen
Gekopieerd!
Spaans |
Nederlands |
(je/j') viendrai |
ik zal komen |
(tu) viendras |
jij zult komen |
(il/elle/on) viendra |
hij/zij/men zal komen |
(nous) viendrons |
wij zullen komen |
(vous) viendrez |
jullie zullen komen |
(ils/elles) viendront |
zij zullen komen |
|
Futur antérieur
Delen
Gekopieerd!
Spaans |
Nederlands |
(je/j') serai venu/serai venue |
ik zal gekomen zijn |
(tu) seras venu/seras venue |
jij zal gekomen zijn |
(il/elle/on) sera venu/sera venue |
hij/zij/men zal gekomen zijn |
(nous) serons venus/serons venues |
wij zullen gekomen zijn |
(vous) serez venus/serez venues |
jullie zullen gekomen zijn/u zult gekomen zijn |
(ils/elles) seront venus/seront venues |
zij zullen gekomen zijn |
|
Conditionnel
Conditionnel présent
Delen
Gekopieerd!
Spaans |
Nederlands |
(je/j') viendrais |
ik zou komen |
(tu) viendrais |
jij zou komen |
(il/elle/on) viendrait |
hij/zij/men zou komen |
(nous) viendrions |
wij zouden komen |
(vous) viendriez |
u zou komen |
(ils/elles) viendraient |
zij zouden komen |
|
Conditionnel passé
Delen
Gekopieerd!
Spaans |
Nederlands |
(je/j') serais venu/venue |
ik zou gekomen zijn |
(tu) serais venu/venue |
jij zou zijn gekomen |
(il/elle/on) serait venu/venue |
hij zou gekomen zijn |
(nous) serions venus/venues |
wij zouden zijn gekomen |
(vous) seriez venu/venue/venus/venues |
jullie zouden gekomen zijn/u zou gekomen zijn |
(ils/elles) seraient venus/venues |
zij zouden gekomen zijn |
|
Subjonctif
Subjonctif présent
Delen
Gekopieerd!
Spaans |
Nederlands |
(je/j') que je vienne |
ik kom |
(tu) que tu viennes |
dat jij komt |
(il/elle/on) qu'il/elle/on vienne |
hij/zij/men komt |
(nous) que nous venions |
wij komen |
(vous) que vous veniez |
dat jullie komen |
(ils/elles) qu'ils/elles viennent |
zij komen |
|
Subjonctif passé
Delen
Gekopieerd!
Spaans |
Nederlands |
(je/j') que je sois venu/venue |
ik ben gekomen |
(tu) que tu sois venu/venue |
jij bent gekomen |
(il/elle/on) qu'il soit venu/venue |
hij/zij/men is gekomen |
(nous) que nous soyons venus/venues |
wij zijn gekomen |
(vous) que vous soyez venus/venues |
jullie zijn gekomen/u bent gekomen |
(ils/elles) qu'ils soient venus/venues |
zij zijn gekomen |
|
Impératif