Visiter (bezoeken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van visiter (bezoeken) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Visiter (bezoeken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 5: Ménage quotidien (Dagelijks huishouden)

Les 29: Chez l'agent immobilier (Bij de makelaar)

Infinitif Participe passé
Visiter (bezoeken) visité (bezocht)

Werkwoordsvervoegingen

Indicatif

Present 

Frans Nederlands
(je/j') je visite / j visite ik bezoek
tu visites jij bezoekt
(il/elle/on) il visite / elle visite / on visite hij bezoekt / zij bezoekt / men bezoekt
nous visitons wij bezoeken
vous visitez jullie bezoeken
(ils/elles) ils visitent / elles visitent zij bezoeken

Imparfait 

Frans Nederlands
(je/j') je visitais ik bezocht
tu visitais jij bezocht
il/elle/on visitait hij/zij/men bezocht
nous visitions wij bezochten
vous visitiez jullie bezochten
ils/elles visitaient zij bezochten

Passé composé 

Frans Nederlands
(je/j') j'ai visité ik heb bezocht
tu as visité jij hebt bezocht
il/elle/on a visité hij/zij/men heeft bezocht
nous avons visité wij hebben bezocht
vous avez visité u hebt bezocht
ils/elles ont visité zij hebben bezocht

Plus-que-parfait 

Frans Nederlands
(je/j') j'avais visité ik had bezocht
tu avais visité jij had bezocht
il/elle/on avait visité hij/zij/men had bezocht
nous avions visité wij hadden bezocht
vous aviez visité u had bezocht
ils/elles avaient visité zij hadden bezocht

Futur simple 

Frans Nederlands
(je/j') je visiterai ik zal bezoeken
tu visiteras jij zult bezoeken
il/elle/on visitera hij/zij/men zal bezoeken
nous visiterons wij zullen bezoeken
vous visiterez u zult bezoeken
ils/elles visiteront zij zullen bezoeken

Futur antérieur 

Frans Nederlands
(je/j') j'aurai visité ik zal bezocht hebben
tu auras visité jij zult bezocht hebben
il/elle/on aura visité hij/zij/men zal bezocht hebben
nous aurons visité wij zullen bezocht hebben
vous aurez visité u zult bezocht hebben
ils/elles auront visité zij zullen bezocht hebben

Conditionnel

Conditionnel présent 

Frans Nederlands
(je/j') je visiterais ik zou bezoeken
tu visiterais jij zou bezoeken
il/elle/on visiterait hij/zij/men zou bezoeken
nous visiterions wij zouden bezoeken
vous visiteriez u zou bezoeken
ils/elles visiteraient zij zouden bezoeken

Conditionnel passé 

Frans Nederlands
(je/j') aurais visité ik zou bezocht hebben
(tu) aurais visité jij zou bezoeken
(il/elle/on) aurait visité hij/zij/men zou hebben bezocht
(nous) aurions visité wij zouden hebben bezocht
(vous) auriez visité u zou bezocht hebben
(ils/elles) auraient visité zij zouden bezocht hebben

Subjonctif

Subjonctif présent 

Frans Nederlands
(je/j') que je visite ik bezoek
(tu) que tu visites jij dat jij bezoekt
(il/elle/on) qu'il/elle/on visite hij/zij/men bezoekt
(nous) que nous visitions wij bezoeken
(vous) que vous visitiez u bezoekt
(ils/elles) qu'ils/elles visitent zij bezoeken

Subjonctif passé 

Frans Nederlands
(je/j') que j’aie visité ik heb bezocht
(tu) que tu aies visité jij hebt bezocht
(il/elle/on) qu’il/elle/on ait visité hij/zij/men heeft bezocht
(nous) que nous ayons visité wij dat wij bezocht hebben
(vous) que vous ayez visité jullie hadden bezocht
(ils/elles) qu’ils/elles aient visité zij hebben bezocht

Impératif

Impératif 

Frans Nederlands
Jij bezoekt
Visite! Bezoek!