Disegnare (tekenen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van disegnare (tekenen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Disegnare (tekenen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 6: La città e il villaggio (De stad en het dorp)

Les 41: Descrivere gli hobby (Hobby's beschrijven)

Infinito Participio passato
Disegnare (tekenen) Disegnato (getekend)

Werkwoordstijden

Indicativo

Presente 

Italiaans Nederlands
(io) disegno ik teken
(tu) disegni jij tekent
(lui/lei) disegna hij/zij tekent
(noi) disegniamo wij tekenen
(voi) disegnate jullie tekenen
(loro) disegnano zij tekenen

Imperfetto 

Italiaans Nederlands
(io) disegnavo ik tekende
(tu) disegnavi jij tekende
(lui/lei) disegnava hij/zij tekende
(noi) disegnavamo wij tekenden
(voi) disegnavate jullie tekenden
(loro) disegnavano zij tekenden

Passato prossimo 

Italiaans Nederlands
(io) ho disegnato Ik heb getekend
(tu) hai disegnato jij hebt getekend
(lui/lei) ha disegnato hij/zij heeft getekend
(noi) abbiamo disegnato wij hebben getekend
(voi) avete disegnato jullie hebben getekend
(loro) hanno disegnato zij hebben getekend

Trapassato prossimo 

Italiaans Nederlands
(io) avevo disegnato ik had getekend
(tu) avevi disegnato Jij had getekend
(lui/lei) aveva disegnato hij/zij had getekend
(noi) avevamo disegnato wij hadden getekend
(voi) avevate disegnato jullie hadden getekend
(loro) avevano disegnato zij hadden getekend

Futuro semplice 

Italiaans Nederlands
(io) disegnerò ik zal tekenen
(tu) disegnerai jij zult tekenen
(lui/lei) disegnerà hij/zij zal tekenen
(noi) disegneremo wij zullen tekenen
(voi) disegnerete jullie zullen tekenen
(loro) disegneranno zij zullen tekenen

Futuro anteriore 

Italiaans Nederlands
(io) avrò disegnato ik zal hebben getekend
(tu) avrai disegnato jij zult getekend hebben
(lui/lei) avrà disegnato hij/zij zal getekend hebben
(noi) avremo disegnato wij zullen getekend hebben
(voi) avrete disegnato jullie zullen getekend hebben
(loro) avranno disegnato zij zullen getekend hebben

Condizionale

Condizionale presente 

Italiaans Nederlands
(io) disegnerei ik zou tekenen
(tu) disegneresti jij zou tekenen
(lui/lei) disegnerebbe hij/zij zou tekenen
(noi) disegneremmo wij zouden tekenen
(voi) disegnereste jullie zouden tekenen
(loro) disegnerebbero zij zouden tekenen

Condizionale passato 

Italiaans Nederlands
(io) avrei disegnato ik zou getekend hebben
(tu) avresti disegnato jij zou getekend hebben
(lui/lei) avrebbe disegnato hij/zij zou getekend hebben
(noi) avremmo disegnato wij zouden getekend hebben
(voi) avreste disegnato jullie zouden getekend hebben
(loro) avrebbero disegnato zij zouden hebben getekend

Congiuntivo

Congiuntivo presente 

Italiaans Nederlands
(io) disegni ik teken
(tu) disegni jij tekent
(lui/lei) disegni hij/zij tekent
(noi) disegniamo wij tekenen
(voi) disegniate jullie tekenen
(loro) disegnino zij tekenen

Congiuntivo passato 

Italiaans Nederlands
(io) abbia disegnato ik heb getekend
(tu) abbia disegnato jij hebt getekend
(lui/lei) abbia disegnato hij/zij heeft getekend
(noi) abbiamo disegnato wij hebben getekend
(voi) abbiate disegnato jullie hebben getekend
(loro) abbiano disegnato zij hebben getekend

Congiuntivo imperfetto 

Italiaans Nederlands
(io) disegnassi ik zou tekenen
(tu) disegnassi jij zou tekenen
(lui/lei) disegnasse hij/zij tekende
(noi) disegnassimo wij tekenden
(voi) disegnaste jullie tekenden
(loro) disegnassero zij tekenden

Congiuntivo trapassato 

Italiaans Nederlands
(io) avevo disegnato ik had getekend
(tu) avevi disegnato jij had getekend
(lui/lei) aveva disegnato hij/zij had getekend
(noi) avevamo disegnato wij hadden getekend
(voi) avevate disegnato jullie hadden getekend
(loro) avevano disegnato zij hadden getekend

Imperativo

Imperativo 

Italiaans Nederlands
Disegniamo! jij tekent
Disegna! hij/zij tekent
Disegni! wij tekenen
Disegniamo! jij tekent
Disegnate! zij tekenen