Nederlands A1 module 5: Thuis (Thuis)

Dit is leermodule 5 van 6 van ons Nederlandse A1-syllabus. Elke leermodule bevat 6 tot 8 hoofdstukken.

Leerdoelen:

  • Beschrijf je huis en de directe omgeving.
  • Basis huisdieren en planten in en rondom het huis.

Woordenlijst (88)

Kernwoordenschat (90): Werkwoorden: 21, Bijvoeglijke naamwoorden: 1, Bijwoorden: 1, Zelfstandige naamwoorden: 66, Zinnen / woordcombinatie: 1
Contextwoordenschat: -2

Nederlands Nederlands
Aaien Aaien
Aanzetten To turn on
Afwassen afwassen
Binnenkomen To enter/come in
Blijven Blijven
Brengen To bring
De aarde The soil; the earth
De afwasmachine The dishwasher
De badkamer The bathroom
De bank the couch
De bloem The flower
De boom The tree
De deur the door
De douche the shower
De eetkamer The dining room
De eigenaar The owner
De gang The hallway
De garage The garage
De hond De hond
De huisbaas The landlord
De hypotheek The mortgage
De kamer The room
De kast the closet
De kat De kat
De keuken The kitchen
De koelkast The refrigerator
De kom de kom
De lamp the lamp
De lepel de lepel
De loft The loft
De magnetron The microwave
De muis De muis
De muur The wall
De oven The oven
De pan de pan
De plant The plant
De planten water geven To water the plants
De pot de pot
De schildpad De schildpad
De slaapkamer The bedroom
De steen The stone
De stoel the chair
De stofzuiger The vacuum cleaner
De tafel the table
De tas de tas
De trap The stairs
De tuin The garden
De tuinman The gardener
De verwarming The heating
De villa The villa
De vloer The floor
De vogel De vogel
De vork de vork
De vriezer The freezer
De wasmachine The washing machine
De woonkamer The living room
Dienen To serve
Het appartement The apartment
Het bad the bathtub
Het bed the bed
Het bestek het bestek
Het blad The leaf
Het bord het bord
Het bureau the desk
Het glas het glas
Het hotel The hotel
Het huis The house
Het konijn Het konijn
Het mes het mes
Het raam the window
Het rijhuis The terraced house
Het strijkijzer The iron
Het toilet the toilet
Het zaad The seed
Huren To rent / renting
Leven To live / life
Openen to open
Reserveren To reserve / to book
Schoonmaken To clean
Sluiten to close
Springen Springen
Sproeien To spray; to water (with a sprinkler)
Uitzetten To turn off
Verhuizen To move (house)
Wandelen Wandelen
Zaaien To sow
Zitten Zitten
Zorgen voor Zorgen voor