Plannen (plannen)

Plannen (plannen)

Leer het werkwoord "plannen" te vervoegen in het Nederlands: tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT), aantonende wijs (Onvoltooid tegenwoordige tijd , aantonende wijs)

Alle vervoegingen en tijden: Plannen (plannen)

Kalenderdata en feestdagen (Kalenderdata en feestdagen)

Nederlands
(ik) plan
(jij/je/u) plant / plan je
(hij/zij/ze/het) plant
(wij/we) plannen
(jullie) plannen
(zij/ze) plannen