2. Woordenschat (13)

De agenda

De agenda Show

De agenda Show

De kalender

De kalender Show

De kalender Show

De week

De week Show

De week Show

Het weekend

Het weekend Show

Het weekend Show

De datum

De datum Show

De datum Show

De feestdag

De feestdag Show

De feestdag Show

Kerstmis

Kerstmis Show

Kerstmis Show

Nieuwjaar

Nieuwjaar Show

Nieuwjaar Show

Oud en nieuw

Oud en nieuw Show

Oud en nieuw Show

Pasen

Pasen Show

Pasen Show

Pinksteren

Pinksteren Show

Pinksteren Show

De vakantie

De vakantie Show

De vakantie Show

Plannen

Plannen Show

Plannen Show

3. Grammatica

4. Oefeningen

Oefening 1: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie

E-mail: Je krijgt een e-mail van je leidinggevende over de planning voor Kerstmis en Nieuwjaar; antwoord kort met je werkdagen, vrije dagen en plannen voor het weekend van 23–24 december.


Beste collega,

In december en januari hebben we veel feestdagen: Kerstmis (25 december), Oud en Nieuw (31 december) en Nieuwjaar (1 januari).

We maken een agenda voor het team. Wil je mij vóór vrijdag 15 december mailen met:

  • op welke dagen je werkt
  • op welke dagen je vakantie neemt

Schrijf ook kort: waar ben je in het weekend van 23 en 24 december?

Met vriendelijke groet,
Sanne de Vries
Teamleider


Beste collega,

In december en januari hebben we veel feestdagen: Kerst (25 december), Oud en Nieuw (31 december) en Nieuwjaarsdag (1 januari).

We maken een agenda voor het team. Wil je mij vóór vrijdag 15 december mailen met:

  • op welke dagen je werkt
  • op welke dagen je vakantie neemt

Schrijf ook kort: waar ben je in het weekend van 23 en 24 december?

Met vriendelijke groet,
Sanne de Vries
Teamleider


Begrijp de tekst:

  1. Welke informatie wil Sanne weten over je werkdagen en vakantiedagen in december en januari?

  2. Wat moet je kort melden over het weekend van 23 en 24 december?

Nuttige zinnen:

  1. Ik werk op ... en ik ben vrij op ...

  2. Ik vier ... met ... in ...

  3. In het weekend van 23 en 24 december ben ik in ...

Beste Sanne,

Dank voor je e-mail.
Ik werk op 27, 28 en 29 december. Ik neem vakantie op 25 en 26 december en op 1 januari.
Kerstmis vier ik op 25 december met mijn familie in Utrecht. Oud en Nieuw vier ik op 31 december met vrienden.
In het weekend van 23 en 24 december ben ik in Amsterdam.

Met vriendelijke groet,
[Voornaam]

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Ik zet onze vakantie in de agenda van het werk.
We plannen een lang weekend op vrijdag 15 maart.
Kerstmis is dit jaar op woensdag 25 december.
Ik heb geen afspraak in het weekend van Pasen.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Wij ___ onze vakantie in de agenda, want in mei is er een lange feestdag.


2. Ik ___ mijn vrije dagen rond Pasen en Pinksteren.


3. Mijn collega ___ zijn vakantie altijd na Oud en Nieuw.


4. ___ jullie het teamuitje op vrijdag 21 juni of in het weekend?


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je collega vraagt: “Wanneer ben je op vakantie?” Antwoord. (Gebruik: de vakantie, de datum, in de week)

Mijn vakantie is    

Voorbeeld:

Mijn vakantie is in de eerste week van augustus.

2. Je plant een teamoverleg. Je wilt geen vergadering in het weekend. Zeg dat je alleen doordeweeks kunt. (Gebruik: het weekend, de week, op maandag / vrijdag)

Ik kan niet    

Voorbeeld:

Ik kan niet in het weekend, ik kan alleen in de week, bijvoorbeeld op maandag of vrijdag.

3. Je stuur een bericht aan je manager: je wilt vrij met Kerstmis. Schrijf één zin. (Gebruik: Kerstmis, de feestdag, vrij zijn)

Met Kerstmis wil    

Voorbeeld:

Met Kerstmis wil ik vrij zijn, want het is een belangrijke feestdag voor mij.

4. Je praat met een buur over Oud en nieuw. Vertel kort wat je doet op die avond. (Gebruik: Oud en nieuw, de kalender, plannen)

Met Oud en nieuw    

Voorbeeld:

Met Oud en nieuw blijf ik meestal thuis en ik maak geen grote plannen.

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over hoe jij je vakantie of vrije dagen rond feestdagen plant en met wie je die viert.

Nuttige uitdrukkingen:

Op [datum] heb ik vrij. / Ik vier [feestdag] met mijn familie / vrienden. / Ik schrijf de data in mijn agenda. / Ik stuur mijn manager een e-mail over mijn vakantie.

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Noem de naam van de feestdag en de datum. (Noem de naam van de feestdag en de datum ervan.)
  2. Wat zijn je plannen voor de feestdagen? Met wie ga je ze doorbrengen? (Wat zijn je plannen voor de feestdagen? Met wie ga je het doorbrengen?)
  3. Welke dag is het vandaag? (Welke dag is het vandaag?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Kerstmis is op vijfentwintig december.

Zomervakantie is in juli en augustus.

Pasen valt altijd op een andere datum.

Ik ben van plan om kerst met mijn familie te vieren.

Ik ga nieuwjaar vieren met mijn vrienden.

Vandaag is het veertiende februari 2025.

...