1. Taalonderdompeling
A1.14.1 Activiteit
Wij gaan naar huis met de feestdagen
3. Grammatica
A1.14.2 Grammatica
Hoe formuleer je de datum?
Belangrijk werkwoord
Plannen (plannen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Correspondentie schrijven
Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie
E-mail: Je krijgt een e-mail van je leidinggevende over de planning voor Kerstmis en Nieuwjaar; antwoord kort met je werkdagen, vrije dagen en plannen voor het weekend van 23–24 december.
Beste collega,
In december en januari hebben we veel feestdagen: Kerstmis (25 december), Oud en Nieuw (31 december) en Nieuwjaar (1 januari).
We maken een agenda voor het team. Wil je mij vóór vrijdag 15 december mailen met:
- op welke dagen je werkt
- op welke dagen je vakantie neemt
Schrijf ook kort: waar ben je in het weekend van 23 en 24 december?
Met vriendelijke groet,
Sanne de Vries
Teamleider
Beste collega,
In december en januari hebben we veel feestdagen: Kerst (25 december), Oud en Nieuw (31 december) en Nieuwjaarsdag (1 januari).
We maken een agenda voor het team. Wil je mij vóór vrijdag 15 december mailen met:
- op welke dagen je werkt
- op welke dagen je vakantie neemt
Schrijf ook kort: waar ben je in het weekend van 23 en 24 december?
Met vriendelijke groet,
Sanne de Vries
Teamleider
Begrijp de tekst:
-
Welke informatie wil Sanne weten over je werkdagen en vakantiedagen in december en januari?
-
Wat moet je kort melden over het weekend van 23 en 24 december?
Nuttige zinnen:
-
Ik werk op ... en ik ben vrij op ...
-
Ik vier ... met ... in ...
-
In het weekend van 23 en 24 december ben ik in ...
Dank voor je e-mail.
Ik werk op 27, 28 en 29 december. Ik neem vakantie op 25 en 26 december en op 1 januari.
Kerstmis vier ik op 25 december met mijn familie in Utrecht. Oud en Nieuw vier ik op 31 december met vrienden.
In het weekend van 23 en 24 december ben ik in Amsterdam.
Met vriendelijke groet,
[Voornaam]
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Wij ___ onze vakantie in de agenda, want in mei is er een lange feestdag.
2. Ik ___ mijn vrije dagen rond Pasen en Pinksteren.
3. Mijn collega ___ zijn vakantie altijd na Oud en Nieuw.
4. ___ jullie het teamuitje op vrijdag 21 juni of in het weekend?
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je collega vraagt: “Wanneer ben je op vakantie?” Antwoord. (Gebruik: de vakantie, de datum, in de week)
Mijn vakantie is
Voorbeeld:
Mijn vakantie is in de eerste week van augustus.
2. Je plant een teamoverleg. Je wilt geen vergadering in het weekend. Zeg dat je alleen doordeweeks kunt. (Gebruik: het weekend, de week, op maandag / vrijdag)
Ik kan niet
Voorbeeld:
Ik kan niet in het weekend, ik kan alleen in de week, bijvoorbeeld op maandag of vrijdag.
3. Je stuur een bericht aan je manager: je wilt vrij met Kerstmis. Schrijf één zin. (Gebruik: Kerstmis, de feestdag, vrij zijn)
Met Kerstmis wil
Voorbeeld:
Met Kerstmis wil ik vrij zijn, want het is een belangrijke feestdag voor mij.
4. Je praat met een buur over Oud en nieuw. Vertel kort wat je doet op die avond. (Gebruik: Oud en nieuw, de kalender, plannen)
Met Oud en nieuw
Voorbeeld:
Met Oud en nieuw blijf ik meestal thuis en ik maak geen grote plannen.
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over hoe jij je vakantie of vrije dagen rond feestdagen plant en met wie je die viert.
Nuttige uitdrukkingen:
Op [datum] heb ik vrij. / Ik vier [feestdag] met mijn familie / vrienden. / Ik schrijf de data in mijn agenda. / Ik stuur mijn manager een e-mail over mijn vakantie.
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Noem de naam van de feestdag en de datum. (Noem de naam van de feestdag en de datum ervan.)
- Wat zijn je plannen voor de feestdagen? Met wie ga je ze doorbrengen? (Wat zijn je plannen voor de feestdagen? Met wie ga je het doorbrengen?)
- Welke dag is het vandaag? (Welke dag is het vandaag?)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten