Jeździć (rijden)

Jeździć (rijden)

Leer het werkwoord "rijden" te vervoegen in het Pools: tegenwoordige tijd, indicatief.

Czas teraźniejszy, tryb oznajmujący (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

Alle vervoegingen en tijden: Jeździć (rijden)

Transport (Transport)

Pools
(ja) jeżdżę
(ty) jeździsz
(on/ona/ono) jeździ
(my) jeździmy
(wy) jeździcie
(oni/one) jeżdżą