1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (21)

Bilet Show

Ticket Show

Autobus Show

Bus Show

Tramwaj Show

Tram Show

Metro Show

Metro Show

Pociąg Show

Trein Show

Samolot Show

Vliegtuig Show

Statek Show

Vrachtschip Show

Taksówka Show

Taxi Show

Auto / Samochód Show

Auto / Auto Show

Pieszo Show

Te voet Show

Jechać

Jechać Show

Rijden Show

Jeździć Show

(regelmatig) rijden Show

Kierować Show

Besturen Show

Latać Show

Vliegen Show

Brać taksówkę Show

Een taxi nemen Show

Wsiadać Show

Instappen Show

Wysiadać Show

Uitstappen Show

Kasować Show

Ontwaarden Show

Zatrzymywać się Show

Stoppen Show

Odjeżdżać Show

Vertrekken Show

Przyjeżdżać Show

Aankomen Show

4. Oefeningen

Oefening 1: Correspondentie schrijven

Instructie: Schrijf een antwoord op het volgende bericht dat passend is voor de situatie

WhatsApp: Je krijgt een WhatsApp-bericht van een Poolse collega van je werk, die je een appartement in Warschau verhuurt; je moet antwoorden en kiezen hoe je van het vliegveld naar het appartement wilt reizen.


Cześć,

jutro przyjeżdżasz do Warszawy, prawda? Mieszkanie jest blisko centrum.

Z lotniska możesz jechać:

  • autobusem – tanio, ale jedzie wolniej,
  • metrem i potem tramwajem,
  • taksówką – najszybciej, ale drożej.

O której godzinie przylatujesz? Jaki środek transportu wolisz?

Pozdrawiam,
Magda


Hoi,

morgen kom je aan in Warschau, toch? Het appartement ligt dicht bij het centrum.

Vanaf het vliegveld kun je reizen met:

  • de bus – goedkoop, maar duurt langer,
  • de metro en daarna de tram,
  • de taxi – het snelst, maar duurder.

Hoe laat kom je aan? Welke reiswijze heeft je voorkeur?

Groeten,
Magda


Begrijp de tekst:

  1. Jakie trzy środki transportu z lotniska do centrum proponuje Magda?

    (Welke drie vervoermiddelen stelt Magda voor van het vliegveld naar het centrum?)

  2. O co Magda pyta na końcu wiadomości?

    (Waar vraagt Magda naar aan het einde van het bericht?)

Nuttige zinnen:

  1. Cześć Magda, dziękuję za wiadomość.

    (Hoi Magda, bedankt voor je bericht.)

  2. Przylatuję o godzinie…

    (Ik kom aan om ...)

  3. Wolę jechać …, bo …

    (Ik reis liever met ... omdat ...)

Cześć Magda, dziękuję za wiadomość.

Przylatuję jutro o godzinie 17:30. Myślę, że pojadę z lotniska metrem i potem tramwajem, bo chcę zobaczyć miasto i nie chcę brać taksówki.

Czy możesz napisać, jaki numer autobusu lub tramwaju mam wziąć i na jakiej stacji mam wysiąść?

Pozdrawiam,
Alex

Hoi Magda, bedankt voor je bericht.

Ik kom morgen om 17:30 aan. Ik denk dat ik vanaf het vliegveld de metro neem en daarna de tram, omdat ik de stad wil zien en geen taxi wil nemen.

Kun je me vertellen welk bus- of trambordnummer ik moet nemen en bij welke halte ik moet uitstappen?

Groeten,
Alex

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Codziennie jadę metrem do pracy w centrum. (Elke dag reis ik met de metro naar mijn werk in het centrum.)
W sobotę jedziemy autobusem na lotnisko z dziećmi. (Op zaterdag nemen we de bus naar de luchthaven met de kinderen.)
Muszę skasować bilet zaraz po wejściu do tramwaju. (Ik moet het kaartje valideren zodra ik in de tram stap.)
Wieczorem biorę taksówkę z biura do domu. ('s Avonds neem ik een taxi van kantoor naar huis.)

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Codziennie ______ metrem z Pragi do centrum Warszawy.

(Codziennie ______ metrem z Pragi do centrum Warszawy.)

2. W poniedziałek mój szef ______ samochodem do pracy przez most Poniatowskiego.

(W poniedziałek mój szef ______ samochodem do pracy przez most Poniatowskiego.)

3. W tym mieście ______ autobusem w stronę dworca głównego.

(W tym mieście ______ autobusem w stronę dworca głównego.)

4. Na nocnej zmianie pan Tomasz ______ taksówką z lotniska do centrum.

(Na nocnej zmianie pan Tomasz ______ taksówką z lotniska do centrum.)

Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. 1. Jesteś na przystanku z kolegą z pracy. On pyta: „Jak ty dojeżdżasz codziennie do biura?”. Odpowiedz jednym prostym zdaniem. (Użyj: auto, autobus, metro / tramwaj)

(1. Je staat bij de halte met een collega van het werk. Hij vraagt: “Hoe reis jij elke dag naar kantoor?”. Beantwoord met één eenvoudige zin. (Gebruik: auto, autobus, metro/tram))

Do pracy jeżdżę  

(Naar mijn werk ga ik met de ...)

Voorbeeld:

Do pracy jeżdżę autem, czasem autobusem.

(Naar mijn werk ga ik met de auto, soms met de bus.)

2. 2. Jesteś w kasie na dworcu. Chcesz bilet do Krakowa na pociąg służbowy. Poproś o bilet. (Użyj: bilet, pociąg, poproszę)

(2. Je staat bij het loket op het station. Je wilt een kaartje naar Krakau voor een personen-/regionale trein. Vraag om een kaartje. (Gebruik: kaartje, trein, alstublieft))

Poproszę bilet  

(Ik wil graag een kaartje ...)

Voorbeeld:

Poproszę bilet na pociąg do Krakowa.

(Ik wil graag een kaartje voor de trein naar Krakau.)

3. 3. Wieczorem wracasz z kolacji z klientem. Jesteś zmęczony i nie chcesz jechać autobusem. Mówisz koledze, że chcesz taksówkę. (Użyj: brać taksówkę, jechać, dom)

(3. ’s Avonds kom je terug van een diner met een klant. Je bent moe en wilt niet met de bus terug. Je zegt tegen je collega dat je een taxi wilt nemen. (Gebruik: een taxi nemen, gaan, naar huis))

Chcę wziąć taksówkę  

(Ik wil een taxi nemen ...)

Voorbeeld:

Chcę wziąć taksówkę do domu, nie jadę już autobusem.

(Ik wil een taxi nemen naar huis, ik ga niet meer met de bus.)

4. 4. Koleżanka z pracy jest pierwszy raz w twoim mieście. Pyta: „Jak najlepiej dojechać z lotniska do centrum?”. Doradź jej prostą trasę. (Użyj: autobus, metro, jechać)

(4. Een collega is voor het eerst in jouw stad. Ze vraagt: “Wat is de beste manier om van het vliegveld naar het centrum te reizen?”. Geef haar een eenvoudige route. (Gebruik: bus, metro, gaan))

Możesz jechać autobusem  

(Je kunt met de bus gaan ...)

Voorbeeld:

Możesz jechać autobusem z lotniska, a potem metrem do centrum.

(Je kunt met de bus van het vliegveld gaan en daarna met de metro naar het centrum.)

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4–6 zinnen over hoe jij meestal naar je werk of school reist: welk vervoermiddel je gebruikt, van waar naar waar je reist en waarom je die keuze maakt.

Nuttige uitdrukkingen:

Codziennie jeżdżę do pracy … / Z domu wychodzę o … / Zwykle jadę …, bo … / Czasem jadę …, kiedy …

Ćwiczenie 7: Gespreksoefening

Instrukcja:

  1. Opisz różne środki transportu, które widzisz na zdjęciach. (Beschrijf de verschillende manieren van vervoer die je op de foto's ziet.)
  2. Jakiego środka transportu używasz, aby dojechać do pracy lub wykonywać codzienne czynności? (Welke vervoersmiddelen gebruik je om naar je werk te gaan of voor je dagelijkse activiteiten?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Podróżujemy do Hiszpanii samolotem.

We reizen met het vliegtuig naar Spanje.

Jeżdżę autobusem do pracy.

Ik neem de bus naar mijn werk.

Zawsze jeżdżę rowerem do szkoły.

Ik fiets altijd naar school.

Biorę taksówkę, aby pojechać na lotnisko.

Ik neem een taxi om naar de luchthaven te gaan.

Jedziemy pociągiem do Madrytu.

We nemen de trein naar Madrid.

Każdego dnia chodzę 15 minut do piekarni.

Elke dag loop ik 15 minuten naar de bakker.

...