Mieszkać (wonen)
Vervoeging van mieszkać (wonen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.
Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:
Categorie: a1
Module 1: Przedstawienie samego siebie (Jezelf voorstellen)
Les 3: Skąd jesteś? (Waar kom je vandaan?)
Werkwoordsvormen
| Tryby warunkowe (Voorwaardelijke wijs) | |
|---|---|
Tryb warunkowy
|
| Tryb rozkazujący (Gebiedende wijs) | |
|---|---|
Tryb rozkazujący
|