Płacić (betalen)

Płacić (betalen)

Leer het werkwoord "betalen" vervoegen in het Pools: tegenwoordige tijd, indicatief

Czas teraźniejszy, tryb oznajmujący (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

Alle vervoegingen en tijden: Płacić (betalen)

Ceny i pieniądze (Prijzen en geld)

Pools
(ja) płacę
(ty) płacisz
(on/ona/ono) płaci
(my) płacimy
(wy) płacicie
(oni/one) płacą