Pracować (werken)

Pracować (werken)

Leer het werkwoord "werken" te vervoegen in het Pools: tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

Czas teraźniejszy, tryb oznajmujący (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

Alle vervoegingen en tijden: Pracować (werken)

Zawody i studia (Beroepen en studies)

Pools
(ja) pracuję
(ty) pracujesz
(on/ona/ono) pracuje
(my) pracujemy
(wy) pracujecie
(oni/one) pracują