Robić (maken)

Vervoeging van robić (maken) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

Robić (maken)

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Categorie: a1

Module 2: Od godzin do pór roku (Van uren tot seizoenen)

Les 9: Dni tygodnia i części dnia (Dagen van de week en dagdelen)

Werkwoordsvormen

Tryb oznajmujący (Indicatieve wijs)

Czas teraźniejszy 

Pools
(ja) robię
(ty) robisz
(on/ona/ono) robi
(my) robimy
(wy) robicie
(oni/one) robią

Czas przeszły 

Pools

Czas przyszły 

Pools
Tryby warunkowe (Voorwaardelijke wijs)

Tryb warunkowy 

Pools
Tryb rozkazujący (Gebiedende wijs)

Tryb rozkazujący 

Pools