Spać (slapen)

Spać (slapen)

Leer het werkwoord "slapen" te vervoegen in het Pools: tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

Czas teraźniejszy, tryb oznajmujący (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

Alle vervoegingen en tijden: Spać (slapen)

Dni tygodnia i części dnia (Dagen van de week en dagdelen)

Pools
(ja) śpię
(ty) śpisz
(on/ona/ono) śnie
(my) śpimy
(wy) śpicie
(oni/one) śpią