Spędzać (doorbrengen)
Vervoeging van spędzać (doorbrengen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.
Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:
Categorie: a1
Module 2: Od godzin do pór roku (Van uren tot seizoenen)
Les 14: Daty kalendarzowe i święta (Kalenderdata en feestdagen)
Werkwoordsvormen
| Tryb oznajmujący (Indicatieve wijs) | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Czas teraźniejszy
|
Czas przeszły
|
Czas przyszły
|
|||||||||
| Tryby warunkowe (Voorwaardelijke wijs) | |
|---|---|
Tryb warunkowy
|
| Tryb rozkazujący (Gebiedende wijs) | |
|---|---|
Tryb rozkazujący
|