Wracać (terugkeren)

Wracać (terugkeren)

Leer het werkwoord "terugkeren" te vervoegen in het Pools: tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

Czas teraźniejszy, tryb oznajmujący (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

Alle vervoegingen en tijden: Wracać (terugkeren)

Pytanie o drogę (Routebeschrijving vragen en geven)

Pools
(ja) wracam
(ty) wracasz
(on/ona/ono) wraca
(my) wracamy
(wy) wracacie
(oni/one) wracają