Znaczyć (betekenen)

Znaczyć (betekenen)

Leer het werkwoord "Betekenen" te vervoegen in het Pools: tegenwoordige tijd, aantonende wijs

Czas teraźniejszy, tryb oznajmujący (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

Alle vervoegingen en tijden: Znaczyć (betekenen)

Pytanie o rzeczy (Dingen vragen)

Pools
(ja) znaczę
(ty) znaczysz
(on/ona/ono) znaczy
(my) znaczymy
(wy) znaczycie
(oni/one) znaczą