Jugar (spelen)

Jugar (spelen)

Leer het werkwoord "Spelen" te vervoegen in het Spaans: tegenwoordige tijd, onvoltooid tegenwoordige wijs

Presente, indicativo (Tegenwoordige tijd, aantonende wijs)

Alle vervoegingen en tijden: Jugar (spelen)

Deportes y ejercicio (Sport en beweging)

Spaans
(yo) juego
(tú) juegas
(él/ella/usted) juega
(nosotros/nosotras) jugamos
(vosotros/vosotras) jugáis
(ellos/ellas/ustedes) juegan