Concluderen uit (concluir a partir de)

Conjugación de concluderen uit (concluir de) para todos los tiempos verbales con frases de ejemplo y ejercicios.

Concluderen uit (concluir a partir de)

Materiales de aprendizaje que implementan este verbo:

Infinitief Voltooid deelwoord
Concluderen uit (concluir de) geconcludeerd uit (concluido)

Tiempos verbales

Aantonende wijs

Onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT) 

(ik) concludeer uit
(jij/je) concludeert uit
(hij/zij/ze/het) concludeert uit
(wij/we) concluderen uit
(jullie) concluderen uit
(zij/ze) concluderen uit

Onvoltooid verleden tijd (OVT) 

(ik) concludeerde uit
(jij/je) concludeerde uit
(hij/zij/ze/het) concludeerde uit
(wij/we) concludeerden uit
(jullie) concludeerden uit
(zij/ze) concludeerden uit

Voltooid tegenwoordige tijd (VTT) 

(ik) heb geconcludeerd uit
(jij/je) hebt geconcludeerd uit
(hij/zij/ze/het) heeft geconcludeerd uit
(wij/we) hebben geconcludeerd uit
(jullie) hebben geconcludeerd uit
(zij/ze) hebben geconcludeerd uit

Voltooid verleden tijd (VVT) 

(ik) heb geconcludeerd uit
(jij/je) hebt geconcludeerd uit
(hij/zij/ze/het) heeft geconcludeerd uit
(wij/we) hebben geconcludeerd uit
(jullie) hebben geconcludeerd uit
(zij/ze) hebben geconcludeerd uit

Onvoltooid toekomende tijd (OTTk) 

(ik) zal concluderen uit
(jij/je) zult concluderen uit
(hij/zij/ze/het) zal concluderen uit
(wij/we) zullen concluderen uit
(jullie) zullen concluderen uit
(zij/ze) zullen concluderen uit

Voltooid toekomende tijd (VTTk) 

(ik) zal geconcludeerd hebben uit
(jij/je) zult geconcludeerd hebben uit
(hij/zij/ze/het) zal geconcludeerd hebben uit
(wij/we) zullen geconcludeerd hebben uit
(jullie) zullen geconcludeerd hebben uit
(zij/ze) zullen geconcludeerd hebben uit
Conditionele wijs

Conditionele Tegenwoordige Tijd (CTT) 

(ik) zou concluderen uit
(jij/je) zou concluderen uit
(hij/zij/ze/het) zou concluderen uit
(wij/we) zouden concluderen uit
(jullie) zouden concluderen uit
(zij/ze) zouden concluderen uit

Conditionele Verleden Tijd (CVT) 

(ik) zou geconcludeerd hebben uit
(jij/je) zou geconcludeerd hebben uit
(hij/zij/ze/het) zou geconcludeerd hebben uit
(wij/we) zouden geconcludeerd hebben uit
(jullie) zouden geconcludeerd hebben uit
(zij/ze) zouden geconcludeerd hebben uit
Imperatief (gebiedende wijs)

Gebiedende wijs 

Concludeer uit!