Abheben (opnemen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van abheben (opnemen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Abheben (opnemen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 2: Gesellschaft und Regierung (Maatschappij en overheid)

Les 13: Bei der Bank (Bij de bank)

Infinitiv Partizip
Abheben (opnemen) abgehoben (afgehaald)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) hob ab ik nam op
(du) hobst ab jij hebt opgenomen
(er/sie/es) hob ab hij/zij/het nam op
(wir) hoben ab wij namen op
(ihr) habt abgehoben / hobt ab jullie namen op
(sie) hoben ab zij namen op
Missing tense!

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
ich hatte abgehoben ik had opgenomen
du hattest abgehoben jij had opgenomen
er/sie/es hatte abgehoben hij/zij/het had opgenomen
wir hatten abgehoben wij hadden opgenomen
ihr hattet abgehoben jullie hadden opgenomen
sie hatten abgehoben zij hadden opgenomen

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde abheben ik zal opnemen
du wirst abheben jij zult opnemen
er/sie/es wird abheben hij/zij/het zal opnemen
wir werden abheben wij zullen opnemen
ihr werdet abheben jullie zullen opnemen
sie werden abheben zij zullen opnemen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde abgehoben haben ik zal opgenomen hebben
(du) wirst abgehoben haben jij zult opgenomen hebben
(er/sie/es) wird abgehoben haben hij/zij/het zal opgenomen hebben
(wir) werden abgehoben haben wij zullen opgenomen hebben
(ihr) werdet abgehoben haben jullie zullen opgenomen hebben
(sie) werden abgehoben haben zij zullen opgenomen hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) hob ab ik zou opnemen
(du) hobest ab / hobst ab jij zou opnemen / jij zou opnemen
(er/sie/es) hiebe ab / hob ab hij/zij/het zou opnemen
(wir) hoben ab wij zouden opnemen
(ihr) hobet ab jullie zouden opnemen
(sie) hoben ab zij zouden opnemen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte abgehoben / wäre abgehoben ik zou hebben opgenomen / ik zou opnemen
(du) hättest abgehoben / wärest abgehoben jij zou hebben opgenomen / jij zou opgenomen hebben
(er/sie/es) hätte abgehoben / wäre abgehoben hij zou opgenomen hebben
(wir) hätten abgehoben / wären abgehoben wij zouden hebben opgenomen / wij zouden opgenomen hebben
(ihr) hättet abgehoben / wärt abgehoben jullie zouden hebben opgenomen
(sie) hätten abgehoben / wären abgehoben zij zouden opgenomen hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Abhebe! Jij neemt op