Anschauen (bekijken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van anschauen (bekijken) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Anschauen (bekijken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 5: Zu Hause (Thuis)

Les 35: Wohnen und Unterbringung (Huisvesting en accommodatie)

Infinitiv Partizip
Anschauen (bekijken) angeschaut (aangekeken)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
ich schaue an ik bekijk
du schaust an jij kijkt
er/sie/es schaut an hij/zij/het bekijkt
wir schauen an wij bekijken
ihr schaut an jullie bekijken
sie schauen an zij bekijken

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) schaute an ik bekeek
(du) schaustest an jij bekeek
(er/sie/es) schaute an hij/zij/het bekeek
(wir) schauten an wij bekeken
(ihr) schautet an jullie bekeken
(sie) schauten an zij bekeken

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe angeschaut ik heb bekeken
(du) hast angeschaut jij hebt bekeken
(er/sie/es) hat angeschaut hij/zij/het heeft bekeken
(wir) haben angeschaut wij hebben bekeken
(ihr) habt angeschaut jullie hebben bekeken
(sie) haben angeschaut zij hebben bekeken

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte angeschaut ik had bekeken
(du) hattest angeschaut jij had bekeken
(er/sie/es) hatte angeschaut hij/zij/het had bekeken
(wir) hatten angeschaut wij hadden bekeken
(ihr) hattet angeschaut jullie hadden bekeken
(sie) hatten angeschaut zij hadden bekeken

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde anschauen ik zal bekijken
du wirst anschauen jij zult bekijken
er/sie/es wird anschauen hij/zij/het zal bekijken
wir werden anschauen wij zullen bekijken
ihr werdet anschauen jullie zullen bekijken
sie werden anschauen zij zullen bekijken

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde angeschaut haben ik zal bekeken hebben
(du) wirst angeschaut haben jij zal bekeken hebben
(er/sie/es) wird angeschaut haben hij/zij/het zal bekeken hebben
(wir) werden angeschaut haben wij zullen bekeken hebben
(ihr) werdet angeschaut haben jullie zullen bekeken hebben
(sie) werden angeschaut haben zij zullen bekeken hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) schaute an ik zou bekijken
(du) schautest an jij zou bekijken
(er/sie/es) schaut(e) an hij/zij/het zou bekijken
(wir) schauten an wij zouden bekijken
(ihr) schautet an jullie zouden bekijken
(sie) schauten an zij zouden bekijken

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte angeschaut ik zou bekeken hebben
(du) hättest angeschaut jij zou bekeken hebben
(er/sie/es) hätte angeschaut hij/zij/het zou bekeken hebben
(wir) hätten angeschaut wij zouden bekijken
(ihr) hättet angeschaut jullie zouden bekeken hebben
(sie) hätten angeschaut zij zouden bekeken hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Schau mich an! jij kijkt