Bedeuten (betekenen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van bedeuten (betekenen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Bedeuten (betekenen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A1

Module 3: Tag für Tag (Dag tot dag)

Les 18: Dinge fragen (Dingen vragen)

Infinitiv Partizip
Bedeuten (betekenen) bedeutet (betekent)

Werkwoordstijden

Indikativ

Präsens 

Duits Nederlands
(ich) bedeute ik beteken
(du) bedeutest jij betekent
(er/sie/es) bedeutet hij/zij/het betekent
(wir) bedeuten wij betekenen
(ihr) bedeutet jullie betekenen
(sie) bedeuten zij betekenen

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) bedeutete ik betekende
(du) bedeutetest jij betekende
(er/sie/es) bedeutete hij/zij/het betekende
(wir) bedeuteten wij betekenden
(ihr) bedeutetet jullie betekenden
(sie) bedeuteten zij betekenden

Perfekt 

Duits Nederlands
(ich) habe bedeutet ik heb betekend
(du) hast bedeutet jij hebt betekend
(er/sie/es) hat bedeutet hij/zij/het heeft betekend
(wir) haben bedeutet wij hebben betekend
(ihr) habt bedeutet jullie hebben betekend
(sie) haben bedeutet zij hebben betekend

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte bedeutet ik had betekend
(du) hattest bedeutet jij had betekend
(er/sie/es) hatte bedeutet hij/zij/het had betekend
(wir) hatten bedeutet wij hadden betekend
(ihr) hattet bedeutet jullie hadden betekend
(sie) hatten bedeutet zij hadden betekend

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde bedeuten Ik zal betekenen
du wirst bedeuten jij zult betekenen
er/sie/es wird bedeuten hij/zij/het zal betekenen
wir werden bedeuten wij zullen betekenen
ihr werdet bedeuten jullie zullen betekenen
sie werden bedeuten zij zullen betekenen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde bedeutet haben ik zal hebben betekend
(du) wirst bedeutet haben jij zult betekend hebben
(er/sie/es) wird bedeutet haben hij/zij/het zal hebben betekend
(wir) werden bedeutet haben wij zullen betekend hebben
(ihr) werdet bedeutet haben jullie zullen hebben betekend
(sie) werden bedeutet haben zij zullen hebben betekend

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) bedeutete ik zou betekenen
(du) bedeutetest jij zou betekenen
(er/sie/es) bedeutete hij/zij/het zou betekenen
(wir) bedeuteten wij zouden betekenen
(ihr) bedeutetet jullie zouden betekenen
(sie) bedeuteten zij zouden betekenen

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
ich hätte bedeutet ik zou betekenen
du hättest bedeutet jij zou betekenen
er/sie/es hätte bedeutet hij/zij/het zou betekenen
wir hätten bedeutet wij zouden betekenen
ihr hättet bedeutet jullie zouden betekenen
sie hätten bedeutet zij zouden betekenen

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Bedeute! Jij beteken