Bedeuten (betekenen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Delen
Gekopieerd!
Vervoeging van bedeuten (betekenen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.
Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:
Niveau:
A1
Module 3:
Tag für Tag
(Dag tot dag)
Les 18:
Dinge fragen
(Dingen vragen)
Infinitiv |
Partizip |
Bedeuten
(betekenen)
|
bedeutet
(betekent)
|
Werkwoordstijden
Indikativ
Präsens
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) bedeute |
ik beteken |
(du) bedeutest |
jij betekent |
(er/sie/es) bedeutet |
hij/zij/het betekent |
(wir) bedeuten |
wij betekenen |
(ihr) bedeutet |
jullie betekenen |
(sie) bedeuten |
zij betekenen |
|
Präteritum
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) bedeutete |
ik betekende |
(du) bedeutetest |
jij betekende |
(er/sie/es) bedeutete |
hij/zij/het betekende |
(wir) bedeuteten |
wij betekenden |
(ihr) bedeutetet |
jullie betekenden |
(sie) bedeuteten |
zij betekenden |
|
Perfekt
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) habe bedeutet |
ik heb betekend |
(du) hast bedeutet |
jij hebt betekend |
(er/sie/es) hat bedeutet |
hij/zij/het heeft betekend |
(wir) haben bedeutet |
wij hebben betekend |
(ihr) habt bedeutet |
jullie hebben betekend |
(sie) haben bedeutet |
zij hebben betekend |
|
Plusquamperfekt
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) hatte bedeutet |
ik had betekend |
(du) hattest bedeutet |
jij had betekend |
(er/sie/es) hatte bedeutet |
hij/zij/het had betekend |
(wir) hatten bedeutet |
wij hadden betekend |
(ihr) hattet bedeutet |
jullie hadden betekend |
(sie) hatten bedeutet |
zij hadden betekend |
|
Futur I
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich werde bedeuten |
Ik zal betekenen |
du wirst bedeuten |
jij zult betekenen |
er/sie/es wird bedeuten |
hij/zij/het zal betekenen |
wir werden bedeuten |
wij zullen betekenen |
ihr werdet bedeuten |
jullie zullen betekenen |
sie werden bedeuten |
zij zullen betekenen |
|
Futur II
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) werde bedeutet haben |
ik zal hebben betekend |
(du) wirst bedeutet haben |
jij zult betekend hebben |
(er/sie/es) wird bedeutet haben |
hij/zij/het zal hebben betekend |
(wir) werden bedeutet haben |
wij zullen betekend hebben |
(ihr) werdet bedeutet haben |
jullie zullen hebben betekend |
(sie) werden bedeutet haben |
zij zullen hebben betekend |
|
Konjunktiv II
Konjunktiv II Präsens
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
(ich) bedeutete |
ik zou betekenen |
(du) bedeutetest |
jij zou betekenen |
(er/sie/es) bedeutete |
hij/zij/het zou betekenen |
(wir) bedeuteten |
wij zouden betekenen |
(ihr) bedeutetet |
jullie zouden betekenen |
(sie) bedeuteten |
zij zouden betekenen |
|
Konjunktiv II Vergangenheit
Delen
Gekopieerd!
Duits |
Nederlands |
ich hätte bedeutet |
ik zou betekenen |
du hättest bedeutet |
jij zou betekenen |
er/sie/es hätte bedeutet |
hij/zij/het zou betekenen |
wir hätten bedeutet |
wij zouden betekenen |
ihr hättet bedeutet |
jullie zouden betekenen |
sie hätten bedeutet |
zij zouden betekenen |
|
Imperativ