Beenden (beëindigen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Vervoeging van beenden (beëindigen) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.

 Beenden (beëindigen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Leermaterialen die dit werkwoord implementeren:

Niveau: A2

Module 2: Gesellschaft und Regierung (Maatschappij en overheid)

Les 14: Hochschulabschluss (Universitaire opleiding)

Infinitiv Partizip
Beenden (beëindigen) beendet (beëindigd)

Werkwoordstijden

Indikativ

Missing tense!

Präteritum 

Duits Nederlands
(ich) beendete ik beëindigde
(du) beendetest jij beëindigde
(er/sie/es) beendete hij/zij/het beëindigde
(wir) beendeten wij beëindigden
(ihr) beendetet jullie beëindigden
(sie) beendeten zij beëindigden

Perfekt 

Duits Nederlands

Plusquamperfekt 

Duits Nederlands
(ich) hatte beendet ik had beëindigd
(du) hattest beendet jij had beëindigd
(er/sie/es) hatte beendet hij/zij/het had beëindigd
(wir) hatten beendet wij hadden beëindigd
(ihr) hattet beendet jullie hadden beëindigd
(sie) hatten beendet zij hadden beëindigd

Futur I 

Duits Nederlands
ich werde beenden ik zal beëindigen
du wirst beenden jij zult beëindigen
er/sie/es wird beenden hij/zij/het zal beëindigen
wir werden beenden wij zullen beëindigen
ihr werdet beenden jullie zullen beëindigen
sie werden beenden zij zullen beëindigen

Futur II 

Duits Nederlands
(ich) werde beendet haben ik zal beëindigd hebben
(du) wirst beendet haben jij zult beëindigd hebben
(er/sie/es) wird beendet haben hij/zij/het zal beëindigd hebben
(wir) werden beendet haben wij zullen beëindigd hebben
(ihr) werdet beendet haben jullie zullen beëindigd hebben
(sie) werden beendet haben zij zullen beëindigd hebben

Konjunktiv II

Konjunktiv II Präsens 

Duits Nederlands
(ich) beendete ik beëindigde
(du) beendetest jij zou beëindigen
(er/sie/es) beendete hij/zij/het beëindigde
(wir) beendeten wij beëindigden
(ihr) beendetet jullie zouden beëindigen
(sie) beendeten zij beëindigden

Konjunktiv II Vergangenheit 

Duits Nederlands
(ich) hätte beendet ik zou beëindigd hebben
(du) hättest beendet jij zou beëindigd hebben
(er/sie/es) hätte beendet hij/zij/het zou beëindigd hebben
(wir) hätten beendet wij zouden beëindigd hebben
(ihr) hättet beendet jullie zouden beëindigd hebben
(sie) hätten beendet zij zouden beëindigd hebben

Imperativ

Imperativ 

Duits Nederlands
Beende! jij beëindig